Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
06-3648 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking/terugvordering bijstandsuitkering i.v.m. verzwegen inkomsten uit arbeid in seksinrichting. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3648 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 mei 2007, 05/1158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van Kampen (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.A. Wichers Hoeth, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. de Jong, werkzaam bij de gemeente Kampen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 14 december 2001 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit onderzoek is gebleken dat appellante werkzaamheden heeft verricht in de seksinrichting “[naam seksinrichting]” (hierna: [naam seksinrichting]). Bij besluit van 7 april 2004 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 februari 2003 tot en met 23 september 2003 op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB herzien (lees: ingetrokken). De over deze periode gemaakte kosten van bijstand heeft het College bepaald op € 7.356,88. Deze kosten heeft het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 9 juni 2005 heeft het College het tegen het besluit van 7 april 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante, door geen melding te maken van haar werkzaamheden in [naam seksinrichting], haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan haar recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld. In beroep tegen dit besluit heeft appellante aangevoerd dat het College ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Voor haar werkzaamheden heeft zij geen geld gevraagd. Omdat zij de werkzaamheden beschouwt als hobby, heeft zij daarvan geen melding gemaakt.

De rechtbank heeft, met een bepaling omtrent het griffierecht, het tegen het besluit van 9 juni 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een ondeugdelijke wettelijke grondslag en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank stelt vast dat appellante geen melding heeft gemaakt van de door haar uitgevoerde werkzaamheden bij [naam seksinrichting]. De rechtbank acht de gegevens waarop het College zich baseert toereikend voor de door het College getrokken conclusie omtrent de omvang van de door appellante verzwegen werkzaamheden en voor de conclusie dat zij voor haar werkzaamheden geld heeft ontvangen. Voor zover appellante heeft aangegeven dat zij voor haar werkzaamheden geen geld heeft ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat gelet op de hoogte van de huur van de kamers bij [naam seksinrichting] en de frequentie waarmee eiseres deze kamers heeft gehuurd over de in geding zijnde periode niet kan worden aangenomen dat zij deze kosten alsmede haar kosten van dagelijks onderhoud en de huur van haar woning in Kampen heeft kunnen voldoen uit haar bijstandsuitkering. De bijstand is terecht over de periode van 1 februari 2003 tot en met 23 september 2003 herzien (lees: ingetrokken). Hetgeen appellante over deze

periode ten onrechte aan uitkering is verstrekt, heeft het College - aldus de rechtbank - terecht teruggevorderd.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellantes stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Zijmers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(

get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R. Zijmers.

AR