Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
06-4435 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning ziekengeld ingevolgde Ziektewet. Betrokkene niet langer ongeschikt geacht voor de in het verleden geduide functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4435 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juni 2006, 05/8635 ZW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Neermawatie Nandoe, advocaat te Wassenaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2008.

Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. J.W. Bogaardt, kantoorgenoot van mr. Neermawatie Nandoe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in december 1997 wegens rugklachten ongeschikt geworden voor zijn arbeid als agrarisch medewerker en heeft tot medio 2000 een uitkering ontvangen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij lijdt aan de ziekte van Bechterew. De arbeidsongeschiktheidsuitkering is destijds ingetrokken omdat appellant geschikt werd geacht voor passende functies, waarin hij een zodanig inkomen kon verdienen dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid.

Appellant heeft zich op 18 november 2004 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. De verzekeringsarts heeft, na informatie te hebben ontvangen van de behandelend neuroloog, appellant op het spreekuur van 23 mei 2005 aangezegd dat hij niet langer ongeschikt werd geacht voor de in het verleden geduide functie van verspener.

Aan appellant is dienovereenkomstig met ingang van 25 mei 2005 geen ziekengeld meer toegekend.

Bij besluit van 2 november 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit tot verdere weigering van ziekengeld per 25 mei 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de conclusie van de beide verzekeringsartsen. De door appellant ter zitting van de rechtbank overgelegde brief van 13 juni 2006 van de reumatoloog dr. I.E. van der Horst-Bruinsma gaf de rechtbank geen reden voor een ander oordeel, nu de conclusie van deze specialist gelijk was aan die van de behandelend reumatoloog een jaar voordien, te weten een matig actieve ziekte van Bechterew.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Gelet op de jurisprudentie van de Raad dient in dit geval onder “zijn” arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van de in het verleden aan appellant voorgehouden functies afzonderlijk.

Uit het afschrift van de medische kaart blijkt dat de verzekeringsarts zorgvuldig aandacht heeft besteed aan het klachtenpatroon van appellant. De verzekeringsarts heeft uiteindelijk, alvorens een conclusie te trekken over appellants belastbaarheid, inlichtingen ingewonnen bij de behandelend sector. Mede op grond hiervan heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant weer geschikt was te achten voor één van de in het verleden geselecteerde functies, te weten de lichte, hoofdzakelijk zittend uit te voeren functie van verspener.

De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van zijn onderzoek vastgesteld dat er bij appellant geen sprake was van een duidelijk gestoorde functionaliteit. Ook op grond van de door de behandelend reumatoloog dr. G. Colleé verstrekte informatie kon de ernst van de klachten van appellant niet worden gemotiveerd (geen sprake van ontstekingsverschijnselen bij bloedonderzoek en lichamelijk onderzoek, geen progressie in röntgendiagnostiek). Op grond hiervan heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de aangegeven pijnproblematiek niet geobjectiveerd kon worden, waarbij van belang werd geacht dat appellant spontaan een normaal bewegingspatroon vertoonde.

Naar het oordeel van de Raad geeft het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts blijk van een zorgvuldige beoordeling van appellants klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie op de door appellant in hoger beroep weer overgelegde brief van

13 juni 2006 van voornoemde reumatoloog opgemerkt dat bij het onderzoek door deze reumatoloog geen tekenen van ontsteking zijn gevonden en dat ook het bloedbeeld weinig activiteit liet zien. Er wordt wederom melding gemaakt van een matig actieve Morbus Bechterew. De Raad ziet dan ook geen reden voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat in voormelde brief geen nieuwe aspecten aan de orde komen.

Nu uit de verwoording functiebelasting van de functie van verspener blijkt dat deze functie gepaard gaat met afwisselend zitten en staan, is appellant naar het oordeel van de Raad terecht geschikt geacht voor deze functie.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL