Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
06-4136 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hernieuwde melding van arbeidsongeschiktheid. Verzoek om terug te komen van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4136 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juni 2006, 06/215 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Nass, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2008.

Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Nass. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 7 april 2005 is aan appellante naar aanleiding van haar ziekmelding van 30 september 2004 meegedeeld dat zij met ingang van 8 april 2005 geen recht meer had op ziekengeld.

Bij besluit van 28 juni 2005 is het bezwaar tegen voormeld besluit wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 17 juli 2005 heeft appellante zich met ingang van 8 april 2005 bij het Uwv ziek gemeld.

Bij brief van 13 september 2005 heeft het Uwv appellante in kennis gesteld van het besluit dat zij met ingang van 8 april 2005 geen recht had op ziekengeld. Daarbij is overwogen dat er geen nieuwe feiten zijn waardoor zij op en na deze datum het werk niet zou kunnen hervatten.

Appellante heeft tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 5 december 2005 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de brief van appellante van 17 juli 2005 terecht aangemerkt als een hernieuwde melding van arbeidsongeschiktheid per 8 april 2005. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat voormeld besluit van 7 april 2005 in rechte onaantastbaar is geworden. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank verder overwogen dat met het tegen dat besluit en de heroverweging van dat besluit aanwenden van rechtsmiddelen niet kan worden bereikt dat de rechter het beroep beoordeelt alsof het rechtsmiddel is ingesteld tegen het oorspronkelijke afwijzende besluit.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door appellante in bezwaar en beroep ingebrachte informatie, waaronder die van de huisarts van 5 september 2005 en van 9 november 2005 en de informatie van slachterofferhulp van 31 oktober 2005 niet gezien worden als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 15 november 2005 blijkt dat de zwangerschap, de schouder-, arm- en pijnklachten ten tijde van het nemen van het besluit van 7 april 2005 al bekend waren. Hetgeen appellante heeft aangevoerd over de stalking door haar ex-partner was naar het oordeel van de rechtbank weliswaar nieuw, maar noopte het Uwv niet tot heroverweging van het besluit van 7 april 2005. Immers het betreft geen medische informatie waaruit opgemaakt kan worden dat appellante wegens ziekte of gebreken niet in staat was tot het verrichten van arbeid.

De rechtbank was gelet op het vorenstaande van oordeel dat het Uwv bevoegd was om de (herhaalde) aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:6 Awb, tweede lid van de Awb af te wijzen en voor de motivering te volstaan met de verwijzing naar het besluit van 7 april 2005.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Ook naar het oordeel van de Raad kon de brief van appellante van 17 juli 2005 door het Uwv redelijkerwijs worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 7 april 2005, zodat het besluit van 13 september 2005 was aan te merken als een afwijzing van dat verzoek. Het besluit van 13 september 2005 zou anders slechts kunnen worden aangemerkt als een nieuwe weigering van ziekengeld per 8 april 2005 en daarmee geen rechtsgevolg doen intreden dat niet reeds was bereikt met het eerdere besluit van 7 april 2005.

Dat het besluit van 13 september 2005 een bezwaartermijn van twee weken vermeldt – waardoor appellante overigens niet is benadeeld nu binnen deze termijn bezwaar is gemaakt – doet aan deze conclusie niet af.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL