Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
05-5849 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rugklachten tijdens zwangerschap. Onderzoek is voldoende zorgvuldig is geweest. Geen recht meer op ziekengeld ingevolge Ziektewet. Betrokkene niet langer ongeschikt geacht voor haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5849 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2005, 05/1519 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

appellant.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2008.

Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene was tot 26 februari 2004 werkzaam als inpakmedewerkster bij [werkgever]. Zij heeft zich op 9 maart 2004 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Zij had last van rugklachten, die voor het einde van haar zwangerschap – betrokkene is op 24 december 2003 bevallen – waren begonnen.

Naar aanleiding van dit ziektegeval is betrokkene verschillende keren op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts. Deze heeft in december 2004 inlichtingen ingewonnen bij de huisarts van betrokkene en haar mede op grond hiervan na onderzoek op het spreekuur van 21 januari 2005 meegedeeld dat zij met ingang van 22 januari 2005 weer in staat was om te werken.

Bij besluit van 26 januari 2005 is aan betrokkene dienovereenkomstig meegedeeld dat zij met ingang van 22 januari 2005 geen recht meer had op ziekengeld.

In de bezwaarfase is betrokkene gezien door bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink, die geen reden zag om te twijfelen aan het standpunt van de primaire verzekeringsarts.

Bij besluit van 1 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank had de bezwaarverzekeringsarts gelet op de richtlijn “Medisch arbeidsongeschiktheiscriterium” (MAOC) en de eigen verklaring van betrokkene dat zij ondanks fysiotherapie steeds rugklachten had gehouden, nadere informatie dienen in te winnen bij de fysiotherapeut en de huisarts. De rechtbank achtte het onderzoek, dat aan het bestreden besluit ten grondslag had gelegen, onzorgvuldig, zodat dit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd vernietigd.

De Raad kan zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen en heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 19 van de Ziektewet heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.

Uit het Afschrift Medische Kaart blijkt dat de verzekeringsarts betrokkene verschillende keren op het spreekuur heeft gezien. Na het spreekuur van 14 december 2004 heeft de verzekeringarts inlichtingen ontvangen van de huisarts. Uit diens brief van

17 december 2004 blijkt dat sprake was van aspecifieke rugklachten, waarvoor zij is verwezen naar een fysiotherapeut. De huisarts had geen adviezen gegeven ten aanzien van het werk. Bij onderzoek op het spreekuur van 21 januari 2005 heeft de verzekeringsarts bij functieonderzoek van de rug geen afwijkingen gevonden. Volgens de aantekeningen op de medische kaart gaf betrokkene toen nog borstvoeding. Zij zou toen verklaard hebben dat het wel beter met haar ging.

Voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de medische gegevens en betrokkene op het spreekuur gezien. In aanmerking nemend dat de lichamelijke onderzoeksbevindingen negatief waren, de van de huisarts ontvangen informatie geen objectieve afwijkingen liet zien en de eigen waarnemingen consistent waren met de onderzoeksbevindingen van de primaire verzekeringsarts, zag de bezwaarverzekeringsarts geen reden om af te wijken van het standpunt van deze verzekeringsarts. Dat betrokkene nog fysiotherapie volgde en borstvoeding gaf, had volgens de bezwaarverzekeringsarts geen opschortende werking ten aanzien van de besluitvorming.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen voldoende zorgvuldig is geweest. In aanmerking genomen dat de visie van de huisarts bekend was en dat deze niet afweek van de bevindingen van de primaire verzekeringsarts, vermag de Raad niet in te zien dat nader overleg met de huisarts of fysiotherapeut nog enige toegevoegde waarde zou hebben. Ook in het door de gemachtigde van betrokkene in beroep overgelegde rapport van orthopedisch chirurg O. Schreuder van 19 april 2005 ziet de Raad geen reden om aan te nemen dat de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts onjuist is geweest. De Raad wijst in dit verband op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 1 juni 2005, waarin wordt opgemerkt dat betrokkene eerst op 12 april 2005 door deze specialist is gezien, terwijl zij zwanger was. Bij onderzoek door de verzekeringsarts één dag voor de datum in geding zijn echter geen afwijkingen in de rugfunctie gevonden.

Gezien de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts is betrokkene naar het oordeel van de Raad op goede gronden niet langer ongeschikt geacht voor haar arbeid.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.W.A. Schimmel.