Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
06/6523 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking/ terugvordering en medeterugvordering bijstandsuitkering. Leefvorm: gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6523 WWB

06/6524 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], appellante, en [Appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 oktober 2006, 05/5437 en 06/3270 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.R. van Gemert, advocaat te Lent, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 15 januari 2008. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 juli 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat sedert 29 april 2003 ingeschreven op het adres [adres 1]. Hoofdhuurster van deze woning is [Y.] (hierna: hoofdhuurster). Appellant stond ingeschreven op het adres van zijn ouders, [adres 2] te [plaatsnaam]. Naar aanleiding van een fraudemelding heeft de sociale recherche van de gemeente Nijmegen een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. In dat kader zijn diverse buurtbewoners van de woning van appellante gehoord, verklaringen afgelegd door de hoofdhuurster en appellanten en zijn observaties uitgevoerd gedurende de periode van 13 augustus 2004 tot 5 januari 2005 bij de woning van appellante. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 maart 2005.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 8 september 2005 de bijstand van appellante met ingang van 29 maart 2003 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 29 maart 2003 tot en met 31 maart 2005 van appellanten teruggevorderd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellanten in de genoemde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en daarvan geen melding aan het College hebben gedaan.

Bij besluit van 28 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2005 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de bijstand met ingang van 1 mei 2003 wordt ingetrokken en het teveel verstrekte wordt teruggevorderd.

Vervolgens heeft het College bij besluit van 17 mei 2006 het besluit van 28 november 2005 aangevuld en het bedrag van de terugvordering over de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 maart 2005 vastgesteld op € 26.199,28.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 17 mei 2006 aangemerkt als een besluit dat ingevolge de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling moet worden betrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 28 november 2005 niet-ontvankelijk verklaard met een beslissing inzake het griffierecht en het beroep tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat niet (meer) ter discussie staat dat appellanten in ieder geval per 1 januari 2005 samenwonen. Dit betekent dat nog slechts in geding is de intrekking van de bijstand over de periode van 1 mei 2003 tot 1 januari 2005.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van (achtereenvolgens) de Algemene bijstandswet (Abw) en de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van deze artikelen is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van (achtereenvolgens) de Abw en van de WWB, voor zover van belang, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Aangezien vaststaat dat appellanten samen een op 25 januari 2002 geboren kind hebben, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellanten ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Ook de Raad heeft hierbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring van de hoofdhuurster van deze woning in samenhang met de uitgebreide verklaringen van de ondervraagde buurtbewoners van de woning van appellante en de bevindingen van de observaties die door de sociale recherche zijn uitgevoerd. Uit deze gegevens komt een consistent beeld naar voren van dit gezamenlijk hoofdverblijf. De Raad ziet met de rechtbank in de door appellanten overgelegde bij de rechter-commissaris in strafzaken afgelegde verklaringen van enkele buurtbewoners van de woning van appellante en in de verklaring van de werkgever van appellant geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent heeft overwogen.

Tenslotte merkt de Raad nog op dat hetgeen namens appellanten is gesteld over het oordeel van de strafrechter geen afbreuk doet aan hetgeen hiervoor is overwogen. Volgens vaste rechtspraak is de bestuursrechter immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

De intrekking

Gelet op het vorenstaande moet met de rechtbank worden geoordeeld dat appellante in de periode van 1 mei 2003 tot 1 januari 2005 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Gedurende deze periode kon appellante derhalve niet worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm van een alleenstaande. Zij heeft geen melding gemaakt van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant. Daarmee heeft zij haar inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is haar in de periode van 1 mei 2003 tot 1 januari 2005 ten onrechte bijstand verleend, zodat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand over deze periode.

Het College heeft gehandeld overeenkomstig het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

De terugvordering en medeterugvordering

Uit het voorgaande vloeit voort dat wat betreft appellante tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de aan appellante over de in geding zijnde periode betaalde bijstand tot een bedrag van € 26.199,28.

Op grond van het voorgaande staat tevens vast dat appellant de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan appellante rekening had moeten worden gehouden. Verlening van gezinsbijstand is - niettemin - achterwege gebleven omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor mede-terugvordering met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB.

Het College heeft voorts gehandeld in overeenstemming met zijn ter zake van de (mede-) terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

Slotoverweging

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.E. Broekman.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ130208