Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
06-5911 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Niet woonachtig op opgegeven adres ten tijde van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5911 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 september 2006, 06/827 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Haagmans, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft zich op 26 januari 2005 bij de centrale organisatie werk en inkomen gemeld voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft daarbij vermeld woonachtig te zijn op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Voorts heeft appellant op 10 mei 2005 aangegeven vanaf 4 mei 2005 een woning te huren op het adres [adres 2] te [woonplaats].

Naar aanleiding van de aanvraag heeft de sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader is onder meer op 31 mei 2005 een huisbezoek gebracht aan de woning op het adres [adres 2], is appellant gehoord en is buurtonderzoek verricht. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapportage van 21 juni 2005.

Bij besluit van 27 juni 2005 heeft het College, voor zover van belang, aan appellant bijstand toegekend voor de periode van 1 februari 2005 tot 1 mei 2005. De aanvraag om bijstand voor zover deze ziet op de periode vanaf 1 mei 2005 is door het College afgewezen op de grond dat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres, [adres 2] te [woonplaats].

Bij besluit van 10 februari 2006 heeft het College, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit 27 juni 2005 ongegrond verklaard, met dien verstande dat appellant bijstand is toegekend voor de periode van 26 januari 2005 tot 4 mei 2005 en dat de aanvraag om bijstand vanaf 4 mei 2005 is afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Tevens heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad merkt allereerst op dat, gelet op de gedingstukken, tussen partijen in geschil is de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor zover deze ziet op de periode vanaf 4 mei 2005.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant ten tijde hier van belang niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres en verwijst naar de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Ook de Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de bevindingen tijdens het op 31 mei 2005 afgelegde huisbezoek aan het door appellant opgegeven woonadres, welke bevindingen niet door appellant zijn betwist. Een basale inrichting van de woning ontbrak, de woning was niet gestoffeerd en er waren vrijwel geen meubels aanwezig. Kleding, toiletartikelen en administratie kon appellant niet tonen. Voorts waren er geen levensmiddelen in de woning aanwezig. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, appellant ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College heeft derhalve de aanvraag om bijstand van appellant vanaf 4 mei 2005 terecht afgewezen.

In hetgeen door appellant overigens is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) M. Pijper.

AR