Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
07-240 WWB + 07-6110 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Geen opgave van vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/240 WWB

07/6110 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 december 2006, 05/9117 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Appellante is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 april 1997 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst dat appellante eind 2004 beschikte over een vermogen van ruim € 27.000,--, heeft het College onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onderzoek gedaan naar op naam van appellante staande bankrekeningen. Daarbij is naar voren gekomen dat appellante, naast de bij het College bekende girorekening, nog twee bankrekeningen op haar naam had staan, waarop blijkens de overgelegde overzichten ten tijde hier van belang regelmatig bijschrijvingen en opnames van bedragen staan vermeld.

Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 20 juli 2005 de bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2005 beëindigd. Bij besluit van 22 juli 2005 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 19 januari 1999 tot en met 31 januari 2005 herzien op de grond dat appellante, zonder daarvan mededeling aan het College te hebben gedaan, gedurende deze periode over een vermogen heeft beschikt dat hoger is dan het voor haar geldende vrij te laten vermogen en daaruit ook rente-inkomsten heeft verkregen. Tevens is daarbij hetgeen over deze periode aan kosten van bijstand is gemaakt tot een bedrag van € 39.233,68 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 17 november 2005 heeft het College het tegen de besluiten van 20 juli 2005 en van 22 juli 2005 gemaakte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 17 november 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de bijstand van appellante over de periode van 16 december 2004 tot en met 31 januari 2005 is herzien en teruggevorderd en over de periode van 1 februari 2005 tot en met 20 juli 2005 is ingetrokken, en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van haar uitspraak. Tevens is een bepaling gegeven over de vergoeding van griffierecht. De gegrondverklaring van het beroep berust op het oordeel van de rechtbank dat aan de voorwaarden voor intrekking vanaf 16 december 2004 de grondslag is komen te ontvallen, aangezien appellante vanaf die datum niet langer over het verzwegen tegoed kon beschikken, omdat dit toen was overgeboekt naar een bankrekening van de zoon van appellante.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 27 december 2007 opnieuw op de bezwaren van appellante beslist. Daarbij zijn de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, is de herziening en de terugvordering van de bijstand van appellante beperkt tot de periode van 19 januari 1999 tot en met 15 december 2004, is de intrekking van de bijstand vanaf 1 februari 2005 ongedaan gemaakt en het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 37.356,58. De Raad stelt vast dat, nu daarmee niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep

Vaststaat dat appellante ten tijde in geding naast de bij het College bekende bankrekening nog twee bankrekeningen op haar naam had staan waarvan zij geen melding heeft gemaakt. Eveneens staat vast dat het saldo met ingang van 19 januari 1999 de voor appellante geldende vermogensgrens overschreed en dat nadien geregeld (soms zeer grote) bedragen op de bankrekeningen van appellante zijn gestort. Het College heeft dat saldo alsmede de nadien gestorte bedragen aangemerkt als vermogensbestanddelen waarover appellante naast haar bijstand kon beschikken in de zin van artikel 51, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 34, eerste lid, van de WWB. Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een uitkeringsgerechtigde een tegoed bevat, de veronderstelling dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover deze de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om genoegzaam aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot het oordeel hebben geleid dat appellante daarin niet is geslaagd. Daarbij acht de Raad doorslaggevend dat appellante ten aanzien van genoemde bankrekeningen als enige beschikkingsbevoegd was. Hetgeen appellante omtrent de herkomst van de stortingen en de bestemming van de opnames heeft gesteld, hierop neerkomende dat het tegoed van de bankrekeningen haar (meerderjarige) zoon toebehoort, is niet nader met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Ook de Raad acht derhalve onvoldoende aangetoond dat de op de bankrekeningen aanwezige tegoeden niet tot het vermogen van appellante gerekend konden worden. Door van deze tegoeden geen melding te maken bij het College heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

Gelet hierop was het College bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de (nog) in geding zijnde periode van 19 januari 1999 tot en met 15 december 2004 te herzien. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.

Nu het besluit van 17 november 2005 is vernietigd voor zover daarbij de herziening over de periode van 16 december 2004 tot en met 31 januari 2005 was gehandhaafd, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat daarmee in zoverre ook de grondslag aan de terugvordering is komen te ontvallen. De rechtbank had dit besluit voor zover het de terugvordering betrof evenwel in zijn geheel dienen te vernietigen. Een terugvorderingsbesluit moet immers als één geheel worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand. Het voorgaande klemt des te meer, nu een terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert.

Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wat de terugvordering betreft voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 17 november 2005 voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering van bijstand geheel vernietigen.

Het besluit van 27 december 2007

De Raad stelt vast dat met dit nieuwe besluit op bezwaar een juiste uitvoering is gegeven aan de opdracht die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gegeven, zoals deze blijkens voorgaande overwegingen moet worden opgevat. Het College heeft het terugvorderingsbesluit heroverwogen en vastgesteld dat uitgaande van de periode van 19 januari 1999 tot en met 15 december 2004 het bedrag moet worden bepaald op € 37.356,58. Met betrekking tot de terugvordering heeft het College gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken.

Met betrekking tot de ook tegen dit besluit gerichte stelling van appellante dat het tegoed aan haar zoon toebehoorde verwijst de Raad naar hetgeen hij hiervoor bij de bespreking van het hoger beroep van appellante hieromtrent heeft overwogen. Dit betekent dat het nieuwe besluit op bezwaar in stand kan blijven.

Voor zover appellante zich heeft beklaagd over de bejegening die haar bij de in geding zijnde besluitvorming ten deel is gevallen merkt de Raad op dat, wat daar ook van zij, dit niet met zich kan brengen dat de besluiten reeds daarom onrechtmatig zouden zijn.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 17 november 2005 met betrekking tot de terugvordering niet geheel is vernietigd;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;

Vernietigt het besluit van 17 november 2005 voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering van de bijstand;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 december 2007 ongegrond;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.E. Broekman.

IJ180208