Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5298

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
06-1814 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAJONG-uitkering: minder dan 25% arbeidsongeschikt. Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), ook wel genoemd myalgische encephalomyelitis (ME). Nadere stukken moeten tenminste tien dagen voor de zitting worden ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1814 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 februari 2006, 05/4010 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. ing. J.A. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft het Uwv desgevraagd een in het dossier ontbrekend stuk ingezonden.

Namens appellant is op 14 januari 2008 een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Zoals tevoren was bericht zijn appellant en zijn gemachtigde niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft sedert 7 mei 1997 de datum van het bereiken van de 18-jarige leeftijd, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG). Deze uitkering is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Destijds is door de verzekeringsarts als diagnose gesteld: status na heupdysplasie links met verminderde heupfunctie links, scoliose met beenlengteverschil, allergieën en vermoeidheidsklachten.

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het Uwv de WAJONG-uitkering van appellant met ingang van 14 maart 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 25% bedraagt.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 14 maart 2005, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteerde volgens het Uwv niet in enig verlies aan verdiencapaciteit.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

Namens appellant is in beroep en hoger beroep aangevoerd dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn vermoeidheidsklachten die voortvloeien uit het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), ook wel genoemd myalgische encephalomyelitis (ME).

De Raad heeft, evenmin als de rechtbank, in de beschikbare stukken aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv, uitgaande van de conclusies van de verzekeringsarts dat de vermoeidheidsklachten van appellant na onderzoek niet geobjectiveerd konden worden en dat wel rekening diende te worden gehouden met zijn heupafwijkingen, van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan.

Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de belasting in de voorgehouden functies in overeenstemming is met de voor appellant vastgestelde beperkingen.

In hoger beroep heeft appellant nog aangevoerd dat het Uwv rekening had moeten houden met een op 1 juli 2005 aangenomen motie van Tweede Kamerlid Vendrik (hierna: motie Vendrik), inhoudend dat het bij de beoordeling van het recht op een WAO-uitkering voor keuringsartsen en andere professioneel betrokkenen duidelijk moet zijn dat CVS/ME een officieel erkende aandoening is en dat cliënten met deze aandoening strikt individueel beoordeeld dienen te worden. Hierbij is verzocht om herkeurde personen die met oneigenlijke argumenten zijn geconfronteerd en zelf graag een nieuwe keuring bij het Uwv wensen daartoe de mogelijkheid te bieden. Het Uwv heeft ter uitvoering van de motie Vendrik een interne werkinstructie opgesteld waarin de handelwijze wordt beschreven die moet worden gevolgd bij een verzoek om terug te komen van een beschikking in gevallen waarbij de diagnose CVS/ME een rol speelt.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad aangegeven dat het Uwv verzuimd heeft om een reactie te geven op het door appellant op 4 juli 2005, met verwijzing naar de motie Vendrik, ingediende verzoek om een herkeuring.

De Raad gaat ervan uit dat het Uwv alsnog een reactie zal geven op dit verzoek om een herkeuring.

Namens appellant is in hoger beroep een verklaring ingezonden van de arts P.W.M. van Meerendonk van 2 juni 2006. In die verklaring wordt aangegeven dat appellant lijdt aan een chronische M. Pfeiffer en daardoor sterk beperkt is in zijn activiteiten. Voorts is in hoger beroep een schrijven ingezonden van dr. Koen De Smet, verbonden aan het Anca Medisch Centrum in Gent, van 23 december 2007. Hierin wordt onder meer vermeld dat appellant op 20 december 2005 is geopereerd aan zijn heup, dat hij voor de laatste maal werd teruggezien op 12 februari 2007 en dat er belangrijke klachten zijn blijven bestaan ter hoogte van de rug alsook de knieën en de lies.

De bezwaarverzekeringsarts M. Keus heeft in een reactie op de brief van 2 juni 2006 aangegeven dat er geen enkel overtuigend wetenschappelijk bewezen verband is tussen de in deze brief genoemde laboratoriumuitslagen en de door appellant ervaren moeheid, zeker niet de mate waarin appellant die moeheid ervaart. De door de verscheidene verzekeringsartsen gedane observaties, wijzend op inconsistentie, worden met de ingebrachte verklaring niet weerlegd.

De Raad kan deze visie van de bezwaarverzekeringsarts onderschrijven. Daarbij laat de Raad meewegen dat in de verklaring van de arts P.W.M. van Meerendonk het door de bezwaarverzekeringsarts bedoelde verband niet nader is onderbouwd, terwijl de gestelde beperking in activiteiten evenmin van een nadere onderbouwing is voorzien.

Ten aanzien van het schrijven van dr. De Smet overweegt de Raad dat dit stuk op 14 januari 2008 bij de Raad is binnengekomen, derhalve een dag voor de zitting van 15 januari 2008. De Raad stelt vast dat hiermee niet is voldaan aan de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde eis dat partijen die nadere stukken willen indienen dit tenminste tien dagen voor de zitting moeten doen. Het ingezonden stuk kan niet worden aangemerkt als een reactie op een door de Raad, kort voor de zitting, bij het Uwv opgevraagd in het dossier ontbrekend stuk. De Raad zal het schrijven van dr. De Smet derhalve buiten beschouwing laten. Nu het Uwv, zoals hiervoor is aangegeven, alsnog een reactie moet geven op het verzoek van appellant om een herkeuring, neemt de Raad aan dat het Uwv daarbij tevens het schrijven van dr. De Smet in zijn beoordeling zal betrekken.

Naar aanleiding van hetgeen overigens namens appellant in hoger beroep is aangevoerd over het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is de Raad van oordeel, dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om dit onderzoek voor onzorgvuldig te houden.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

MH