Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
06-1463 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15 % arbeidsongeschikt. Na een ziekenhuisopname heeft betrokkene zicht toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met dezelfde ziekteoorzaak. Weigering WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1463 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 januari 2006, 04-1496 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brink voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 9 maart 1998 wegens rugklachten uitgevallen voor haar werk als verkoopster. Na een wachttijd van 52 weken is aan haar een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 14 februari 2001 is de WAO-uitkering ingetrokken omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het door appellante tegen die intrekking ingestelde beroep is door de rechtbank Haarlem bij uitspraak van 5 november 2003 ongegrond verklaard.

Per 4 juli 2001 heeft appellante zich na een ziekenhuisopname toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met dezelfde ziekteoorzaak. De verzekeringsarts heeft appellante op 10 april 2003 op het spreekuur gezien en heeft geconcludeerd dat de ziekenhuisopname drie weken heeft geduurd en dat daarmee de wachttijd van vier weken in het kader van de wet Amber niet is overschreden.

Bij besluit van 1 september 2003 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 1 augustus 2001 een WAO-uitkering toe te kennen.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak, waarin appellante wordt aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder, is hiertoe het volgende overwogen:

“2.3. Eiseres heeft aangevoerd dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist is en dat de medische rapportage waarop het besluit berust onjuistheden vermeldt. Eiseres heeft verder aangegeven dat zij van 4 juli tot en met 19 juli 2001 opgenomen is geweest in het ziekenhuis, gevolgd door een periode van volledige bedlegerigheid en opname in een revalidatiekliniek. Naar de mening van eiseres wijzen de diverse door het ziekenhuis voor de thuissituatie geregelde voorzieningen (bed via de kruisvereniging,

po-stoel, persoonlijk alarmsysteem, rolstoel en rollator) erop dat sprake was van volledige bedrust. Van een situatie dat eiseres 15 minuten kon lopen en een uur kon fietsen was volgens eiseres pas sprake na de revalidatieperiode bij Heliomare, en zeker niet op de datum in geschil. Verder heeft eiseres verwezen naar de verklaring van de revalidatiearts Margry en de brief van haar huisarts, waaruit blijkt dat wel degelijk afwijkingen zijn gevonden. Naar haar mening is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid omdat bedlegerigheid valt onder “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”conform het Schattingsbesluit.

2.4. Verweerder handhaaft zijn ingenomen standpunt. Ondanks dat de door de bezwaarverzekeringsarts gemaakte vergissing, is in de beschikbare informatie geen noodzaak te onderkennen voor het houden van bedrust en verstrekte voorzieningen, noch op lichamelijke gronden als op psychische gronden. In de visie van de bezwaarverzekeringsarts is er sprake van een pijnsyndroom waarbij de klachten niet of onvoldoende in overeenstemming zijn met de objectiveerbare stoornis (status na plaatsing discusprothese bij een discopathie).

2.5. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de deskundige Westerbos te benoemen voor het verrichten van een onderzoek. De deskundige heeft in zijn rapportage van 16 oktober 2005 aangegeven dat het niet aannemelijk is dat eiseres na haar ziekmelding per 4 juli 2001 vier weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschikt geweest is. Naar objectieve maatstaven zijn er geen nieuwe medische feiten geconstateerd die een toename van de klachten kunnen verklaren. Er is sprake geweest van een toename van het chronisch pijnsyndroom dat ontstaan is in relatie met de discopathie en het plaatsen van een prothese. Volgens Westerbos is een inschatting van het verloop van het herstel na de ziekenhuisopname alleen bij benadering te maken. De toename van de pijnklachten passen naar het oordeel van Westerbos bij een wisselend verloop van het pijnsyndroom en bij dit beeld wordt een zo kort mogelijke bedrust geadviseerd om conditieverlies van de rugspieren te voorkomen. Inactiviteit verergert in het algemeen de klachten.

2.6. De rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van haar deskundige. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige arts zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek van eiseres en op de in het dossier aanwezige op eiseres betrekking hebben stukken. Tevens heeft hij aanvullende medische informatie opgevraagd bij de behandelend sector en de beschikking gehad over door eiseres aan hem verstrekte nadere stukken betreffende de getroffen voorzieningen.”

De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne.

Ten aanzien van hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

Aangevoerd is dat het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde arts F.M. Westerbos ruimte overlaat voor twijfel en niet consistent is. Zo is de stelling van Westerbos dat er geen nieuwe medische feiten zijn geconstateerd die een toename van de klachten kunnen verklaren tegenstrijdig met zijn opmerking dat er wel sprake is geweest van een toename van het chronisch pijnsyndroom.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat Westerbos als zijn medisch oordeel geeft dat bedrust gecontra-indiceerd is bij haar ziektebeeld, maar dat dit niet is wat destijds aan haar is geadviseerd. Zij heeft als advies gekregen om na thuiskomst uit het ziekenhuis rust te houden totdat zij terecht kon voor een revalidatieprogramma bij revalidatiecentrum Heliomare.

De Raad ziet geen tegenstrijdigheid in de opmerkingen van Westerbos, nu hij er in zijn rapport vanuit gaat, op basis van informatie over appellante uit de behandelende sector, dat appellante reeds pijnklachten had. De Raad tekent hierbij aan, dat een toename van pijn niet noodzakelijkerwijs een toename van medische beperkingen met zich brengt. Voorts heeft de Raad noch in het dossier, noch in hetgeen ter zitting van de Raad is besproken, aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellante dat haar is geadviseerd om na thuiskomst uit het ziekenhuis rust te houden. In een brief van 1 augustus 2001, die is gericht aan de huisarts van appellante, schrijft de orthopedisch chirurg K. Styblo dat appellante van 4 juli tot en met 19 juli 2001 in het ziekenhuis is opgenomen in verband met geestelijk en lichamelijk vastlopen. Na enkele dagen, aldus deze chirurg, is zij iets meer tot rust gekomen en daarna is ze gaandeweg gemobiliseerd. Die laatste opmerking wijst er niet op dat zij na de ziekenhuisopname bedrust zou moeten houden en een advies daartoe is ook overigens niet in deze brief opgenomen. In de brief van 30 augustus 2005 van de vervangende huisarts die appellante na haar thuiskomst uit het ziekenhuis heeft bezocht wordt vermeld: “Bij ontslag was zij grotendeels in bed. Op 24-9-’01 was zij ongeveer 4 uur per dag uit bed”. De Raad kan dit niet anders zien dan als een weergave van de feitelijke situatie. Uit de brief kan niet worden afgeleid dat deze huisarts haar het advies heeft gegeven om in bed te blijven. Ook de deskundige Westerbos heeft in de over appellante beschikbare medische informatie geen documentatie van de noodzaak tot bedrust aangetroffen.

In het rapport van Westerbos kan de Raad – anders dan kennelijk appellante – geen aanknopingspunten vinden die twijfel zouden behoren op te roepen over zijn conclusie dat het niet aannemelijk is dat appellante na haar ziekmelding per 4 juli 2001 vier weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschikt geweest is.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM