Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
06-2658 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit berust op een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden meer dan een jaar voorafgaande aan de datum in geding. Het onderzoek was niet gericht was op de medische toestand. Geen eenduidige klachtenpresentatie en onderzoeksbevindingen. Appellant is niet opgeroepen voor onderzoek vande bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2658 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 maart 2006, 05/139 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die vanaf 1992 een bijstandsuitkering ontving, is vanaf januari 1999 op detacheringsbasis via [bedrijfsnaam] te [vestigingsplaats] gedurende circa 29 weken werkzaam geweest als slijper bij een scheepswerf. Vanuit de situatie dat appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft hij zich per 13 januari 2000 ziek gemeld. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 11 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%, toegekend. Verzekeringsarts N. Erkamp, die appellant op 21 augustus 2003 en 1 december 2003 heeft onderzocht en die informatie heeft verkregen van psychiater J.M.W. Sibon, is tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. Bij besluit van

4 december 2003 heeft het Uwv appellants WAO-uitkering per 2 februari 2004 ingetrokken.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 december 2003 en ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij arbeidsongeschikt is beroep gedaan op de bevindingen van medisch adviseur D.J. Schakel, die appellant op 20 januari 2004 heeft onderzocht en daarover op 9 april 2004 heeft gerapporteerd. Bezwaarverzekeringsarts

N. Visser is op basis van de beschikbare medische gegevens en de informatie die arts-assistent M. Karsijns, werkzaam bij GGZ Delfzijl, bij brief van 17 september 2004 over appellant heeft verstrekt tot de conclusie gekomen dat bij appellant sprake is van psychische problematiek waarbij (nog) geen duidelijke diagnose kan worden gesteld. De bezwaar-verzekeringsarts heeft zowel een formulier Functie Informatie Systeem (FIS) als een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) per 25 januari 1999, de datum aanvang van de WAO-verzekering van appellant, opgesteld en tevens een FML per 2 februari 2004, waarin de voor appellant op de beide data geldende beperkingen zijn weergegeven. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige M. Meertens onderzoek verricht. De bezwaararbeidsdeskundige is primair tot de conclusie gekomen dat appellant, gelet op zijn vrijwel ongewijzigde beperkingen, evenals bij aanvang van de verzekering geschikt is voor zijn maatgevende arbeid. Subsidiair heeft de bezwaararbeidsdeskundige zich op het standpunt gesteld dat voor zover appellant bij aanvang van de verzekering ongeschikt was voor zijn maatgevende arbeid, als maatman dient te gelden de persoon met een bijstandsuitkering en dat appellant in staat is een aantal functies te vervullen die leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Het Uwv heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 5 januari 2005 in kennis gesteld van het voornemen het besluit van 4 december 2003 te wijzigen. Nadat van de zijde van appellant op dit voornemen geen reactie was ontvangen, heeft het Uwv bij besluit van 20 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2003 in zoverre gegrond verklaard dat de WAO-uitkering met ingang van 5 maart 2005 is ingetrokken. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit het primaire en subsidiaire standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag gelegd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de grief van appellant dat het Uwv in strijd met artikel

7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door hem niet in de gelegenheid te stellen opnieuw te worden gehoord, verworpen. Voorts heeft de rechtbank zowel de primaire als de subsidiaire grond van het bestreden besluit onderschreven.

Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist. Naar de mening van appellant is hij gelet op zijn psychische klachten ten onrechte geschikt geacht voor zijn maatgevende functie van slijper. In dat verband heeft appellant erop gewezen dat over de inhoud en belasting van die functie niets bekend is en dat het dossier ook geen functieomschrijving bevat. Voorts houdt appellant vol dat hij gelet op zijn beperkingen niet in staat is de functies te vervullen die ten grondslag liggen aan de subsidiaire grond van het bestreden besluit.

De Raad overweegt het navolgende.

Bij het bestreden besluit is, in afwijking van het primaire besluit, de WAO-uitkering van appellant per 5 maart 2005 ingetrokken. Appellant is laatstelijk op 1 december 2003 onderzocht door verzekeringsarts Erkamp. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een medisch onderzoek dat meer dan een jaar voorafgaande aan de datum hier in geding heeft plaatsgevonden en welk onderzoek niet gericht was op de medische toestand van appellant op die datum. Bezwaarverzekeringsarts Visser heeft aan de behandelend arts van GGZ Delfzijl een aantal vragen gesteld, die er in het bijzonder op waren gericht om zich een oordeel te vormen over de belastbaarheid van appellant per 2 februari 2004. Uit de beantwoording van deze vragen heeft de bezwaarverzekeringsarts afgeleid dat bij appellant sprake is van psychische problematiek, kenmerken van een depressie en waarschijnlijk somatisatie en een slaapstoornis, waarbij (nog) geen duidelijke diagnose kan worden gesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft onderkend dat uit de verschillende medische rapporten geen eenduidige klachtenpresentatie en onderzoeksbevindingen blijken. Deze arts heeft evenwel ervan afgezien appellant op te roepen voor een eigen onderzoek omdat zij niet verwachtte dat dit onderzoek tot meer duidelijkheid zou leiden. In haar opvatting zou dit onderzoek, welke de onderzoeksbevindingen ook zijn, slechts tot schijnzekerheid kunnen leiden. De Raad kan deze opvatting niet onderschrijven. Naar het oordeel van de Raad lag het op de weg van de bezwaarverzekeringsarts appellant zelf te onderzoeken om zich een oordeel te vormen over zijn gezondheidstoestand als daarover geen duidelijkheid bestond, hetgeen te meer van belang is nu de uitkering vervolgens per een datum in de toekomst is ingetrokken. De bezwaarverzekeringsarts had appellant ook kunnen laten onderzoeken door een psychiater als zij verwachtte dat haar eigen onderzoek niet tot meer duidelijkheid zou kunnen leiden. De Raad is derhalve van oordeel dat aan het bestreden besluit geen zorgvuldig medisch onderzoek vooraf is gegaan.

Voorts bestaat naar het oordeel van de Raad onduidelijkheid over de beperkingen die voor appellant zijn aangenomen bij aanvang van de WAO-verzekering op 25 januari 1999 en per 5 maart 2005, de datum waarop de uitkering is ingetrokken. Het bestreden besluit berust primair op de grond dat voor appellant op beide data dezelfde beperkingen van toepassing zijn, behoudens dat hij per 5 maart 2005 tevens aangewezen wordt geacht op werkzaamheden waarin geen eigen initiatieven worden verwacht. De bezwaar-verzekeringsarts heeft per 25 januari 1999 een FIS-scoreformulier opgesteld, waarin beperkingen zijn opgenomen op het item 27 (persoonlijk risico in verband met onvoorspelbare reacties), alsmede op de items 28A (werken onder tijdsdruk) en 28I (lawaai). Deze beperkingen zijn niet opgenomen in de Functionele mogelijkhedenlijsten die van toepassing zijn bij aanvang van de verzekering en per 2 februari 2004. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Visser zich op het standpunt gesteld dat zij in het onderhavige geval gebruik heeft moeten maken van twee verschillende beoordelingsinstrumenten die niet één op één naar elkaar zijn te vertalen. De Raad kan dit standpunt niet onderschijven. In de FML kunnen immers eveneens beperkingen worden opgenomen ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico, deadlines/produktiepieken en geluidsbelasting. Uitgaande van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat na aanvang van de verzekering geen wezenlijke verslechtering in de gezondheidstoestand van appellant is opgetreden, is voorts niet gemotiveerd dat de drie genoemde beperkingen, zoals weergegeven op het FIS-formulier, per 5 maart 2005 niet (langer) van toepassing zijn. Daarbij merkt de Raad op dat de functie van slijper een hoge geluidsbelasting kent, zoals ook blijkt uit de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige J.J.S. Tolsma van 8 februari 2007.

De Raad acht de subsidiaire grond van het bestreden besluit evenmin voldoende draagkrachtig. Zoals hiervoor overwogen, is niet duidelijk welke beperkingen voor appellant van toepassing zijn bij aanvang van de verzekering en per 5 maart 2005. Voorts heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad verklaard dat de gekozen maatman van bijstandsgerechtigde niet juist is. Bovendien heeft bezwaararbeidsdeskundige Meertens weliswaar gerapporteerd dat de niet-matchende items van de geselecteerde functies met de bezwaarverzekeringsarts zijn besproken, maar er is vanaf gezien daarvan verslag te doen met de motivering dat het slechts een voorbeeldduiding betreft.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad van oordeel is dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen, noch is voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Dit houdt in dat het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant zal dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Nu het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen ligt het thans niet op de weg van de Raad het verzoek van appellant om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente in te willigen.

De Raad acht termen aanwezig het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op het bezwaar van appellant beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 136,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

HS