Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
05-5196 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Geen urenbeperking, maar wel extra recuperatiemogelijkheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5196 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2005, 04/2330 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2007.

Appellante is in persoon verschenen en werd bijgestaan door mr. Staal. Voor het Uwv is verschenen mr. I.M. de Groot.

De Raad heeft het onderzoek heropend en bij brief van 16 november 2007 vragen aan het Uwv gesteld. Op de reactie van het Uwv bij brief van 23 november 2007 heeft appellante commentaar geleverd bij brief van 20 december 2007 waarop het Uwv heeft gereageerd bij brief van 27 december 2007.

Beide partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een vervolgzitting.

II. OVERWEGINGEN

De in deze zaak van belang zijnde feiten en omstandigheden zijn grotendeels in de aangevallen uitspraak en voor het overige hierna vermeld. De Raad verwijst daarnaar en volstaat met het volgende.

Appellante is per 18 november 1985 bij ([werkgever], later) [werkgever] te [vestigingsplaats] als lederbewerkster voor circa 35 uur per week in dienst getreden. In een in de loop der jaren enigszins aangepaste functie nog steeds werkzaam bij [werkgever], is appellante in december 2002 getroffen door een herseninfarct (CVA). In aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken is aan haar een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

Bij besluit van 29 juli 2004 is die WAO-uitkering per 27 september 2004 ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.

Bij besluit van 11 oktober 2004 is het bezwaar van appellante tegen dat primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen dat besluit op bezwaar gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven en voorts het een en ander bepaald over griffierecht en proceskosten.

Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat weliswaar de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld, appellante in staat moet worden geacht de aan de theoretische schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen en het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt, maar niettemin aanleiding bestaat om tot het hiervoor weergegeven dictum te komen, aangezien het Uwv eerst ná het besluit op bezwaar voldoende inzicht in de geschiktheid van appellante voor die functies heeft geboden.

In hoger beroep heeft appellante - samengevat - betoogd dat zij psychisch èn fysiek meer is beperkt dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. Voorts is ten onrechte niet ook geconcludeerd tot een beperking tot en met 21,25 uur per week (5 dagen à 4,25 uur), welke duur in de praktijk in de eerste helft van 2004 (uit de gedingstukken is af te leiden dat appellante van 36,25 uur per week (waarvan 8 uur per week als arbeidstherapie zonder extra loonwaarde) in de eerste week van 2004 in snel tempo is gegaan naar 21,25 uur per week per 29 juni 2004) maximaal haalbaar is gebleken wegens vooral energetische problemen nog steeds als gevolg van het herseninfarct waardoor zij in 2002 is getroffen.

In de loop van de hoger beroepsprocedure heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt verklaringen/rapporten overgelegd van de klinisch psycholoog/psychotherapeut P.W.B.M. Verhoof d.d. 10 mei 2005, de neuroloog dr. J.F. de Rijk - van Andel d.d. 8 juni 2005, de haar behandelend revalidatie-arts dr L.J.M. Reijnders d.d. 25 oktober 2005, de psycholoog/neuropsycholoog drs M. Volleberg d.d. 24 november 2005, de verzekeringsgeneeskundige M.M.F. Timmerhuis als medisch adviseur van SRK Rechtsbijstand d.d. 8 mei 2006 en d.d. 11 juni 2007 en haar werkgever [werkgever] d.d. 22 oktober 2007.

Voorts heeft appellante gesteld dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist is, de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de grenzen van de bij de FML vastgestelde belastbaarheid (ontoelaatbaar) te buiten gaan.

Onder verwijzing naar de in reactie op het standpunt van appellante ingebrachte rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige W.A.M.H. Heijmans d.d. 1 december 2005 en de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff d.d. 12 januari 2007 en d.d. 13 september 2007, heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd en de Raad gevraagd de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad overweegt als volgt.

Het medische deel van het geschil is zo niet volledig dan toch in overwegende mate toegespitst op de vraag of bij de van 20 juli 2004 daterende FML een urenbeperking (tot en met 21,25 uur per week) had dienen te worden vastgesteld.

De primaire verzekeringsarts H.J.M. Meeren heeft appellante op 20 november 2003 op zijn spreekuur gehad en een arbeidsmedisch onderzoek ingesteld. In zijn rapport van gelijke datum heeft hij opgenomen dat appellante wat haar werktijden betreft licht beperkt is in die zin dat zij gemiddeld niet meer dan ongeveer 6 uur per dag en gemiddeld ongeveer 30 uur per week kan werken.

Meeren heeft appellante wederom op 25 juni 2004 gezien, gesproken en onderzocht. In zijn rapport van gelijke datum is Meeren gekomen tot de conclusie dat de mogelijkheden van appellante om te functioneren ongewijzigd zijn ten opzichte van de in zijn rapport van 20 november 2003 beschreven situatie. Daarbij heeft hij aangetekend dat er bij effectief toepassen van een minder hoge tempodruk, extra recuperatiemogelijkheden en vrijwaring van hectiek op zichzelf geen urenbeperking behoeft te gelden. Daarna, op 20 juli 2004, heeft hij de FML vastgesteld; in rubriek 6 (werktijden) daarvan heeft hij onder 2 (uren per dag) aangegeven “enigszins beperkt, kan gemiddeld niet meer dan ongeveer 8 uur per dag werken” en onder 3 (uren per week) “enigszins beperkt, kan gemiddeld ongeveer 40 uur per week werken”.

De primaire arbeidsdeskundige R.E. Morijn heeft in hetgeen hij met appellante heeft besproken aanleiding gezien overleg te plegen met de verzekeringsarts (naar valt aan te nemen Meeren) die, zo heeft Morijn in zijn rapport van 23 juli 2004 vermeld, ook bij nadere overweging geen aanleiding bleek te zien een medische urenbeperking op te leggen (“te blijven opleggen” staat er in dat rapport). Het verhandelde ter hoorzitting op 4 september 2004 heeft de daarbij tevens aanwezige bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo - Nadels ertoe gebracht overleg te hebben met de primaire verzekeringsarts (Meeren, naar valt aan te nemen) die heeft aangegeven met “extra recuperatie” te bedoelen dat de normaal in het werk reeds aanwezige rust en pauzemomenten voor appellante nodig zijn en gerespecteerd dienen te worden, doch dat extra, meer of langere pauzes niet noodzakelijk zijn. Verderop in haar verslag van 21 september 2004 heeft

Van Thillo - Nadels aangegeven dat meer pauzes of onderbrekingen (extra slaap- of rusturen overdag) dan de normale koffie-, thee- en lunchpauzes voor appellante niet medisch noodzakelijk zijn. De behoefte aan extra slaap (ongeveer 2 uur per dag verminderde beschikbaarheid) kan in privé-tijd worden opgevangen en hoeft niet in mindering te worden gebracht op het aantal beschikbare werkuren.

Omdat het - naar zijn voorlopig oordeel - in de rede ligt koffie-, thee- en lunchpauzes tijdens/tussen werkperioden te beschouwen als reguliere recuperatiemogelijkheden en bij extra recuperatiemogelijkheden te denken aan andere tussen het begin en het einde van de werkdag liggende pauzes, terwijl de volgens Van Thillo - Nadels door Meeren gegeven en kennelijk door haar als afdoende aanvaarde verklaring erop neer lijkt te komen dat extra recuperatiemogelijkheden niet meer inhouden dan gewone/reguliere recuperatiemogelijkheden, heeft de Raad het onderzoek heropend en het Uwv bij brief van 16 november 2007 gevraagd om een nadere toelichting op dat aspect.

Bij brief van 23 november 2007 (gehandhaafd bij brief van 27 december 2007 in reactie op het commentaar van appellante bij brief van 20 december 2007) heeft het Uwv, zulks onder verwijzing naar het daarbij gevoegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts Van Thillo - Nadels van 22 november 2007, naar voren gebracht dat onder extra recuperatiemogelijkheden moet worden verstaan recuperatiemogelijkheden ná het einde van de werkdag waarmee gelet op alle relevante omstandigheden een adequate en rechtens verantwoorde balans tussen werk- en privétijd wordt verkregen. In de FML is de werktijd dan ook beperkt tot maximaal 8 uur per dag/ 40 uur per week. In dat verband heeft het Uwv verwezen naar de daarbij eveneens gevoegde lijst met normaalwaarden met betrekking tot rubriek 6 (werktijden) van de FML. Daarin wordt bij 6.2 (uren per dag) onder 1 van een enigszins beperkte werktijd uitgegaan, indien de betrokkene gemiddeld niet meer dan ongeveer 8 uur per dag kan werken, en bij 6.3 (uren per week) onder 1 evenzeer van een enigszins beperkte werktijd uitgegaan, indien de betrokkene gemiddeld ongeveer 40 uur per week kan werken.

De Raad volgt het Uwv niet in dit aldus door hem toegelichte standpunt.

De primaire verzekeringsarts Meeren heeft aan het achterwege laten van een urenbeperking een drietal voorwaarden verbonden, waaronder extra recuperatiemogelijkheden. Indien Meeren daarmee zou hebben bedoeld te zeggen dat het daarbij gaat om recuperatie ná het einde van de werktijd, dan zou het niet in de rede hebben gelegen die voorwaarde op te nemen, immers, een urenbeperking heeft betrekking op de werktijd, niet op de periode ná het einde van de werkdag. Daarbij komt dat de andere door Meeren aan het achterwege laten van een urenbeperking gestelde voorwaarden (effectief toepassen van een minder hoge tempodruk en vrijwaring van hectiek) beide evident betrekking hebben op de periode tussen het begin en het einde van de werkdag. De behoefte aan recuperatie pleegt te ontstaan nadat werkzaamheden in het kader van de vervulde functie zijn verricht. Koffie-, thee- en lunchpauzes waarmee het verrichten van werkzaamheden wordt onderbroken, zijn te beschouwen als reguliere recuperatiemogelijkheden. De mogelijkheid om ná het einde van de werkdag te recupereren, behoeft door de werkgever niet te worden geboden en met die mogelijkheid behoeft dan ook geen rekening te worden gehouden bij het beantwoorden van de vraag of een urenbeperking nodig dan wel geïndiceerd is. Indien functies aan de schatting ten grondslag worden gelegd zonder dat duidelijk is dat in die functies, dus vóór het einde van de werktijd, de mogelijkheid bestaat tot recuperatie buiten de koffie-, thee, en lunchpauzes, dan valt niet in te zien dat is voldaan aan de door de Meeren gestelde voorwaarde voor het achterwege laten van een beperking van het aantal uren dat de vervulling van zo’n functie vergt. Het Uwv heeft die voorwaarde in de bezwaarfase noch in een latere fase (met een deugdelijke motivering) laten vallen. Het feit dat zowel de arbeidsdeskundige Morijn als de bezwaarverzekeringsarts Van Thillo - Nadels aanleiding hebben gezien zich over deze voorwaarde nader te verstaan met Meeren, duidt erop dat zij met die voorwaarde niet goed raad hebben geweten. Deze voorwaarde kan bezwaarlijk anders worden gezien dan als een beperking van de belastbaarheid van appellante. De Raad ziet in de door het Uwv gegeven uitleg aan en toepassing van deze door de primaire verzekeringsarts Meeren gestelde en sedertdien gehandhaafde voorwaarde voor het achterwege laten van een urenbeperking dan ook een ontoelaatbare relativering van die beperking.

Gelet hierop kan de Raad zich in zoverre niet vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische kant van de zaak.

Appellante heeft in hoger beroep tevens aangevoerd het ook overigens niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsartsen bij haar niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. In dit verband heeft zij gewezen op hetgeen zij in bezwaar en beroep alsook nader in hoger beroep heeft aangevoerd. Zij is van mening dat, gegeven dat algemeen bekend is dat na een herseninfarct geen volledig herstel optreedt en dat er afwijkingen blijven bestaan wat fysiek (vermoeidheid) en ook psychisch functioneren betreft, uit de door haar zowel in beroep als in hoger beroep overgelegde verklaringen van artsen, medische specialisten, deskundigen in andere disciplines en haar werkgever genoegzaam blijkt dat zij per 27 september 2004 niet in staat is meer dan 21,25 uur per week werkzaam te zijn in eigen werk dan wel in de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties.

Met de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat deze grief van appellante faalt. Specialistisch onderzoek heeft uitgewezen dat ten tijde in geding nog aan het in december 2002 doorgemaakte herseninfarct toe te schrijven geheugen- en concentratieproblemen bestonden. Echter, niet is kunnen blijken dat bij de vaststelling van de FML niet in voldoende mate met zodanige problemen rekening is gehouden. Appellante is geheel uitgegaan van (voortzetting in) de functie die zij ten tijde in geding vervulde bij [werkgever], maar de schatting is gebaseerd op andere, voltijdse functies die zij moet worden geacht te kunnen vervullen met inachtneming van de voor haar vastgestelde beperkingen zoals die zijn neergelegd in de FML met inbegrip van de door de primaire verzekeringsarts Meeren in zijn rapport van 25 juni 2004 aangegeven beperkingen (effectief toepassen van een minder hoge tempodruk, extra recuperatiemogelijkheden en vrijwaring van hectiek).

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellante (ten dele). De aangevallen uitspraak kan dan ook niet in stand worden gelaten. Omwille van de duidelijkheid geeft de Raad er de voorkeur aan niet te volstaan met vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit op bezwaar van 11 oktober 2004 in stand blijven (dus met handhaving van de gegrond verklaring van het beroep en de vernietiging van dat besluit op bezwaar), maar over te gaan tot vernietiging van de (gehele) aangevallen uitspraak, gegrond verklaring van het beroep en vernietiging van dat besluit op bezwaar met bepaling dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen alsook bepalingen over proceskosten en griffierecht.

Wat de proceskosten betreft ziet de Raad aanleiding tot toekenning van een halve punt (€ 161,--) voor de schriftelijke reactie van appellante op de door het Uwv na de heropening van het onderzoek gegeven toelichting.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 11 oktober 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.449,-- voor in beroep (644,--) en in hoger beroep (€ 644,-- + € 161,--) verleende rechtsbijstand, aan appellante te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt voorts dat Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante vergoedt het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,--.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) N.E. Nijdam.

TM