Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
07/715 WSF + 07/716 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geweigerd om voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage het peiljaar te verleggen?

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 3.10
Wet studiefinanciering 2000 3.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/715 en 07/716 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 18 januari 2007, 06/1920 en 06/1921 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[betrokkene 1] (betrokkene 1), en

[betrokkene 2] (betrokkene 2),

hierna tezamen ook te noemen: betrokkenen,

en

appellante.

Datum uitspraak: 22 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft A.H. de Raad, kantoorleider van Alfa Accountants en Adviseurs te IJsselmuiden, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2008. Appellante was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee. Betrokkene 1 is niet verschenen; betrokkene 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door J.A. Laarman-Schutte, werkzaam bij Alfa Accountants en Adviseurs te IJsselmuiden.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluiten van 24 juli 2006 (hierna: de bestreden besluiten) heeft appellante - beslissend op bezwaar - geweigerd om voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage over 2005 alsnog de inkomens van betrokkenen in 2005 in aanmerking te nemen en niet hun inkomens in het peiljaar 2003. Deze weigering is gebaseerd op de aan artikel 3.10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ontleende grond dat de daling van het inkomen van betrokkenen in 2005 moet worden gerekend tot de normale risico’s bij de manier waarop zij hun inkomen verwerven.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkenen tegen de bestreden besluiten wegens ondeugdelijke motivering gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en bepaald dat appellante nieuwe besluiten dient te nemen op de bezwaren van betrokkenen. Daarnaast zijn aanvullende beslissingen genomen inzake griffierecht en proceskosten.

Hiertegen heeft appellante hoger beroep ingesteld.

Daartoe is gesteld dat bij de aangevallen uitspraak ten onrechte is geoordeeld dat bij de bestreden besluiten op een onjuiste grond is geweigerd om voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage over 2005 alsnog het inkomen van betrokkenen in 2005 in aanmerking te nemen. In dit verband is in hoofdzaak aangevoerd dat betrokkenen in 2003 en 2004 een uitzonderlijk hoog inkomen hadden doordat zij in die jaren hun melkquotum hebben verkocht en dat inkomensschommelingen tengevolge van een zodanige verkoop van bedrijfskapitaal in het algemeen als normaal moeten worden aangemerkt bij de door betrokkenen gekozen wijze van inkomensverwerving. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op ’s Raads uitspraken van 19 november 2004, LJN: AR7396, en 12 januari 2007, LJN: AZ6302.

Betrokkenen hebben in hoger beroep nader toegelicht dat zij vanouds een gecombineerd melkveebedrijf en weide- en mestveebedrijf exploiteren en zij vanaf het jaar 2001 een belangrijk deel van hun inkomen genereerden door hun melkquotum eerst gedeeltelijk en later geheel – na verkoop van hun melkkoeien – te verhuren. In verband met een wijziging in de regeling betreffende de verhuur van melkquota, die ertoe leidt dat een melkproducent die minder dan 70% van zijn quotum zelf gebruikt het ongebruikte quotum kwijt raakt aan de nationale reserve, stonden betrokkenen in 2003 voor de keuze om òf nieuwe melkkoeien te kopen teneinde hun melkquotum te behouden òf hun melkquotum te verkopen. Gelet op hun leeftijd, gezondheidsklachten van betrokkene 1 en het ontbreken van een bedrijfsopvolger, kozen betrokkenen voor verkoop van hun melkquotum en besloten zij tevens om de opbrengsten van deze verkoop niet te investeren in uitbreiding van hun mest- en weideveebedrijf of enige andere bedrijfsactiviteit. Wel hebben betrokkenen na de verkoop van hun melkquotum lijfrenteverzekeringen gekocht met looptijden tot 2011 en 2016, de jaren waarin betrokkene 1 en 2 achtereenvolgens de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaren (hopen te) bereiken.

De Raad overweegt het volgende.

In de onderhavige gedingen dient te worden beoordeeld of appellante zich terecht heeft gesteld op het standpunt dat de terugval in het inkomen van betrokkenen in 2005 moet worden gerekend tot ‘inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving’, als bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, aanhef, en onder a, van de WSF 2000.

Uit constante rechtspraak van de Raad vloeit voort dat bij de beantwoording van de vraag of inkomensschommelingen in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving in elk geval in ogenschouw moeten worden genomen:

- de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen ten grondslag liggen, in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving, en

- de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen.

Betrokkenen exploiteren een agrarisch bedrijf. Aan zelfstandig ondernemerschap is in de regel eigen dat inkomensschommelingen plaatsvinden, bijvoorbeeld door aan- en verkoop van bedrijfsmiddelen. Aan de daling van het inkomen van betrokkenen in 2005 ligt echter ten grondslag dat zij ervoor hebben gekozen om eerst hun melkkoeien en vervolgens hun melkquotum te verkopen en om de opbrengst daarvan niet in hun onderneming te investeren. Deze keuze moet naar het oordeel van de Raad op één lijn worden gesteld met een (definitieve) gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging die niet leidt tot een vermindering van het inkomen die kan worden gerekend tot de inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de door betrokkenen gekozen wijze van inkomensverwerving. Het beroep van appellante op de hiervoor genoemde uitspraken van de Raad van 19 november 2004 en 12 januari 2007 slaagt niet, omdat in die gevallen geen sprake was van (gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging.

Het voorgaande betekent dat de hoger beroepen van appellante falen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om appellante te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand en van € 58,96 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 702,96, te betalen door de Informatie Beheer Groep;

Bepaalt dat van de Informatie Beheer Groep een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MK