Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5205

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
05-6535 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking Wajong-uitkering. Is terecht geen toepassing gegeven aan de hardheidscausule?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6535 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 oktober 2005, 04/1261 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 7 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.H.J. Verhoeven, werkzaam bij Jurisconsult te Middelbeers, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. van Bezu en T. Eijkhout, llb. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkene is per 22 augustus 1979 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is ervan uitgegaan dat betrokkene op

1 oktober 1975 reeds arbeidsongeschikt was. In 1998 is de AAW-uitkering van betrokkene omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid, omdat betrokkene onveranderd als jeugdgehandicapte werd aangemerkt.

Betrokkene heeft op 11 april 2003 een brief gezonden aan een lid van de Tweede Kamer, waarin hij heeft verzocht zijn Wajong-uitkering te mogen exporteren naar Mexico. Daarbij heeft betrokkene erop gewezen dat hij zich fysiek prettiger voelt bij warm weer en een warme zee en dat hij zich al jaren inzet voor het verstrekken van elektrische rolstoelen en andere hulpmiddelen aan Mexicaanse kinderen en studenten. Nadat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de brief van betrokkene had beantwoord, heeft appellant die in behandeling genomen.

Bij besluit van 2 februari 2004 heeft appellant medegedeeld dat de Wajong-uitkering van betrokkene beëindigd zal worden met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarop hij buiten Nederland gaat wonen, omdat de beëindiging van de Wajong-uitkering in dat geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling van een verzekeringsarts ten grondslag, volgens welke er geen indicatie is tot het moeten ondergaan van een medische behandeling van enige duur in Mexico, en een arbeidskundige beoordeling, volgens welke er geen sprake is van werkzaamheden met reïntegratieperspectief welke betrokkene aldaar wil gaan verrichten.

Het door betrokkene tegen dit besluit aangevoerde bezwaar heeft appellant bij besluit van 19 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe is het volgende overwogen door de rechtbank, waarbij betrokkene als eiser en appellant als verweerder is aangeduid:

“Naar het oordeel van de rechtbank is eisers stelling dat hij veel baat heeft bij een verblijf in een klimaat als dat in Mexico, door de verklaring van de behandelend neuroloog voldoende onderbouwd. Uit de verklaring van de behandelend neuroloog blijkt immers van een duidelijk gunstig effect op de spasticiteit, respectievelijk de pijn in rug en benen. De verklaring van de neuroloog is summier, doch naar het oordeel van de rechtbank toereikend. Waar de bezwaarverzekeringsarts erop wijst dat met het verblijf in Mexico geen sprake is van een objectieve verbetering van de algehele gezondheidstoestand stelt de rechtbank vast dat ook zonder een dergelijke verbetering sprake kan zijn van zwaarwegende redenen om buiten Nederland te gaan wonen. In eisers situatie zijn die redenen gelegen in de vermindering van spasticiteit en pijnklachten. Met betrekking tot de opmerking van de bezwaarverzekeringsarts dat veel Nederlanders zich wellicht beter voelen in een warm klimaat overweegt de rechtbank dat eisers situatie een andere is dan die van veel andere Nederlanders omdat hij kampt met ernstige klachten van spasticiteit en pijn.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiser door het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden, leidt beëindiging van de uitkering tot een onbillijkheid van overwegende aard, waarin verweerder aanleiding had behoren te vinden gebruik te maken van de bevoegdheid om die beëindiging achterwege te laten wanneer eiser in Mexico gaat wonen.”

Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist.

De Raad overweegt het volgende.

Naar aanleiding van een opmerking van appellant in het hoger beroepschrift over de vraag of de brief van 2 februari 2004 aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 24 november 2006 (LJN: AZ 3403). In deze uitspraak is overwogen dat een weigering toepassing te geven aan een hardheidsclausule onmiskenbaar is gericht op rechtsgevolg, zodat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het geval van betrokkene sprake is van zodanige omstandigheden dat gesproken moet worden van een onbillijkheid van overwegende aard en de weigering van appellant toepassing te geven aan de hardheidsclausule in rechte geen stand kan houden.

Met betrekking tot dit geschilpunt stelt de Raad voorop dat in artikel 17, eerste lid, sub c, van de Wajong is bepaald dat het recht op uitkering krachtens die wet eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Appellant kan dit zogenoemde exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het zevende lid van dit artikel buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Appellant heeft in zijn Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003 (Stcrt. 84, bl. 17, hierna: het Besluit) aangegeven op welke wijze door hem uitvoering zal worden gegeven aan deze hardheidsclausule. In artikel 2 van dit Besluit is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig reïntegratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

Appellant heeft, onder meer in de toelichting bij het Besluit, terecht aangegeven dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast. Ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties kan er grond zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent.

De Raad stelt allereerst vast dat de door en namens betrokkene aangevoerde omstandigheden waarom hij buiten Nederland wenst te wonen niet gerangschikt kunnen worden onder één of meer van de drie in artikel 2 van het Besluit genoemde gevallen. Daarbij wijst de Raad erop dat betrokkene niet voor een medische behandeling van enige duur naar Mexico wenst te verhuizen, zodat de situatie bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit niet aan de orde is. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden die gerangschikt kunnen worden onder de twee overige in artikel 2 van het Besluit genoemde gevallen.

Aan de orde is derhalve de vraag of in het geval van betrokkene sprake is van overige omstandigheden die een grondslag kunnen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. Namens betrokkene is in dit verband met name gewezen op zijn toenemende stijfheid van leden, zijn voortdurende hevige pijnen, zijn rolstoelgebondenheid en het continu en hevig oorsuizen waarvan hij last heeft. Een warmer klimaat leidt volgens betrokkene tot een verlichting van deze klachten. Ter ondersteuning van die stelling is gewezen op een brief van de neuroloog H.J.M. van der Leeuw, die heeft aangegeven dat betrokkene baat heeft bij warme klimatologische omstandigheden.

De Raad is met appellant van oordeel dat de door betrokkene genoemde omstandigheden niet als zwaarwegende redenen om met behoud van een Wajong-uitkering buiten Nederland te mogen wonen aangemerkt kunnen worden. Daarbij acht de Raad van belang dat blijkens de wetsgeschiedenis het exportverbod van de Wajong-uitkeringen het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden, welke door appellant enerzijds expliciet zijn genoemd in het Besluit en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarden dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. De Raad is van oordeel dat de door betrokkene genoemde omstandigheden niet voldoen aan deze voorwaarden. Ook uit de brief van de behandelend neuroloog vermag de Raad niet af te leiden dat sprake is van een medische noodzaak voor betrokkene om in een warm klimaat te verblijven.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt, dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J.de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2008.

(get.) M.M. van de Kade.

(get.) A.C. Palmboom

AR