Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
06-1069 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering: minder dan 25% arbeidsongeschikt. Er zijn geen aanwijzingen, dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts op een onzorgvuldige wijze zouden zijn tot stand gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1069 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 december 2005, 05/1076 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Wevers, advocaat te Boxtel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 31 mei 2006 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Wevers en vergezeld door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.P.H.M. van Lieshout.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van nadere feiten en omstandigheden en meer in het bijzonder de door appellant in eerste aanleg overgelegde medische stukken, verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

Appellant is in 1989 uitgevallen voor zijn werk als machinebediende in WSW-verband. Na de wachttijd is hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Laatstelijk ontving hij een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij besluit van 16 juni 2004 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 29 juli 2004 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 25% was.

Namens appellant heeft mr. R.J. Wevers tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 maart 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 maart 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, kort weergegeven, overwogen dat het bestreden besluit medisch en arbeidskundig op een juiste grondslag berust.

In hoger beroep heeft appellant in wezen zijn reeds in eerste aanleg naar voren gebrachte bezwaren tegen het bestreden besluit herhaald. Ter zitting heeft appellant gereageerd op het in rubriek I vermelde commentaar van de bezwaarverzekeringsarts. In de kern richten de bezwaren van appellant zich ertegen, dat het Uwv thans tot een andere conclusie komt dan in 1996 en in 2001 terwijl zijn medische situatie niet is gewijzigd. Bij verzekeringsgeneeskundige beoordelingen in 1996 en 2001 werd bij appellant psychische problematiek aanwezig geacht en is mede op grond daarvan door (de rechtsvoorgangers van) het Uwv beslist tot ongewijzigde voortzetting van appellants arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige beoordeling achtte de verzekeringsarts geen psychische problematiek meer aanwezig.

Appellant meent dat het Uwv deze gewijzigde beoordeling nader had dienen te motiveren, te meer nu ook zijn psychische klachten nog onverminderd aanwezig zijn.

De Raad overweegt het volgende.

Naar aanleiding van de uitval van appellant is hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend in verband met beperkingen in het gebruik van de linker schouder, linker knie en rechter voet.

Bij een herbeoordeling in 1996 rapporteerde de verzekeringsarts dat appellant naast de nog bestaande beperkingen, onder meer sterk somatisch gefixeerd is en een gespannen, nerveuze en sombere indruk maakte. Hij concludeerde dat appellant over een psychisch zeer matige draagkracht beschikte, met als diagnose/werkhypothese: angstneurotisch en depressief beeld bij een karakterneurotische man. Bij een beoordeling in 2001 werd geconcludeerd dat de belastbaarheid ten opzichte van het vorige onderzoek niet is veranderd.

Aan het bestreden besluit ligt onder meer ten grondslag het rapport van verzekeringsarts C. Stoffels van 10 november 2003. Stoffels vond bij onderzoek van de psyche geen afwijkingen evenmin als andere aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink concludeert in zijn rapport van 8 februari 2004, na informatie ingewonnen te hebben bij appellants huisarts en bij neuroloog M.S.G. van Zagten, dat er op de bestreden datum geen aanwijzingen zijn om bij appellant beperkingen aanwezig te achten op grond van objectiveerbare psychopathologie. In beroep is zijdens appellant overgelegd een rapport van 28 april 2005 van psychiater B.M. van de Gevel-Westgeest die, kort weergegeven, concludeert dat appellant depressieve klachten heeft en deze al 10 jaar heeft, met als onderhoudende factoren de chronische pijnklachten en als luxerende factor “de goedkeuring bij de WAO”. In haar rapport vermeldt zij voorts: “Ik wil eigenlijk hetzelfde beleid inzetten wat de GGz 3 maanden heeft voorgesteld en dat is ophogen van de Efexor om te zien of het depressieve aspect hierdoor beïnvloed kan worden. Voorts zal hij verder geactiveerd moeten worden om weer wat buitenshuis te gaan doen in de vorm van ontspanning en activering. Vervolgens zie ik in hem, net als de GGz concludeert, geen goede kandidaat voor onze deeltijdbehandelingen.”

De Raad heeft in de stukken geen aanwijzingen kunnen vinden, dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts op een onzorgvuldige wijze zouden zijn tot stand gekomen. De rapportages zijn inzichtelijk, niet (innerlijk) tegenstrijdig, concludent en zijn tot stand gekomen na het inwinnen van informatie bij de behandelend sector. Waar het om de psychische klachten van appellant gaat, stelt de Raad vast, dat appellant bij zijn onderzoek door de verzekeringsarts op 10 november 2003 geen stemmingsklachten heeft aangegeven en zich nooit eerder onder psychologische en/of psychiatrische behandeling heeft gesteld. Uit de informatie van de huisarts blijkt, dat eerst op 20 december 2004, derhalve na de datum in geding, aan appellant het medicijn Efexor als antidepressivum werd voorgeschreven en dat appellant eerst op 11 januari 2005 na verwijzing op 14 of 20 december 2004 een gesprek bij de GGZ heeft gehad. In zijn rapport van 31 mei 2006 komt bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans tot de conclusie dat er op de datum in geding geen sprake was van een relevant psychiatrisch toestandsbeeld waardoor er beperkingen aan de mentale belastbaarheid van appellant zouden moeten worden gesteld. Uit het rapport van psychiater B.M. van de Gevel-Westgeest kan naar zijn mening niet worden afgeleid, dat zij de diagnose depressie stelt, noch kan dit uit haar bevindingen worden afgeleid. Alles in ogenschouw genomen komt de Raad tot het oordeel, dat het Uwv op de datum in geding (29 juli 2004) de beperkingen van appellant op juiste wijze heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesteld, dat appellant in psychisch opzicht zodanig beperkt was dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant heeft overschat. Appellant heeft geen medische informatie in geding gebracht, die hierop een ander licht zou kunnen werpen. De Raad tekent hierbij aan, dat beoordeling dient plaats te vinden naar de situatie van appellant per de in geding zijnde datum. Beoordelingen van appellant door het Uwv in het verleden met betrekking tot de toen relevante datum kunnen hieraan niet afdoen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL