Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
06-1385 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering. Inkomsten uit arbeid. Hoogte maatmanuurloon. Part-timer. Gesplitste primaire besluitvorming: geen sprake van een te laat gemaakt bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1385 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 februari 2006, 05/3583 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het Uwv is – na voorafgaand bericht – niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als assistent purser bij de KLM toen zij op 25 juli 1996 uitviel. Na een aanvankelijke weigering na einde van de wachttijd werd haar na een beroepsprocedure bij een besluit op bezwaar van 6 augustus 2004 ingaande 24 juli 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij (grotendeels gelijkluidende) primaire besluiten van 17 januari 2005, 14 februari 2005 en 30 maart 2005 werd door het Uwv aan appellante meegedeeld, dat haar uitkering vanwege inkomsten uit arbeid met ingang van 1 oktober 2004 wordt uitbetaald alsof haar mate van arbeidsongeschiktheid 45-55% bedraagt. Bij de berekening daarvan werd door het Uwv uitgegaan van een uurloon van € 33,93 in de voor appellante maatgevende arbeid van assistent purser.

Namens appellante heeft mr. Fischer bezwaar gemaakt bij brieven van 7 maart 2005 respectievelijk 18 april 2005.

Bij besluit van 17 juni 2005 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 juni 2005, hierna: het bestreden besluit, niet-ontvankelijk verklaard voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op het primaire besluit van 30 maart 2005 en ongegrond verklaard voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op het primaire besluit van 14 februari 2005, met bepaling dat het Uwv aan appellante het griffierecht van € 37,- vergoedt.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat het besluit van 14 februari 2005 moet worden gezien als aanvulling op het besluit van 17 januari 2005 en dat overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2005 verschoonbaar kan worden geacht, omdat in dat besluit delen van zinnen door het Uwv zijn weggelaten.

De rechtbank heeft voorts ten aanzien van het door het Uwv bij het bestreden besluit gehanteerde maatmanuurloon, samengevat weergegeven, overwogen, dat ervan moet worden uitgegaan dat appellante, ware zij niet arbeidsongeschikt geworden, op 1 oktober 2004 gemiddeld 20 uur per week werkzaam zou zijn geweest, nu uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 januari 2006 blijkt dat volgens de werkgever een deeltijdaanstelling van 50% staat voor een gemiddelde werkweek van 20 uur en het salaris hierop is gebaseerd.

Appellante heeft in hoger beroep hetzelfde betoogd als in beroep, namelijk dat het Uwv is uitgegaan van een te laag maatmanuurloon, omdat appellante in haar deeltijddienstverband van 50% feitelijk niet gemiddeld 20 uur per week werkzaam was, maar 9 tot 14 uur. Zij heeft daartoe verwezen naar een door haar opgestelde urenberekening en een ‘chronologisch overzicht’ van (vlieg)uren en verlof van de eerste zes maanden van het jaar 1996.

De Raad overweegt het volgende.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar van appellante is namens appellante ter zitting onder meer gesteld dat er naar aanleiding van het onvolledige primaire besluit van 17 januari 2005 door de gemachtigde van appellante contact met het Uwv is opgenomen waarna door het Uwv desgevraagd een volledig primair besluit van 14 februari 2005 is gezonden. De Raad houdt het er dan ook voor dat de primaire besluitvorming eerst op 14 februari 2005 als voltooid kan worden beschouwd zodat eerst op dat moment kan worden gesproken van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop is ook de bezwaartermijn eerst daags na deze dag aangevangen. In zoverre is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, met het maken van bezwaar op 7 maart 2005 geen sprake van een te laat gemaakt bezwaar.

Ten aanzien van het materiële geschil tussen partijen stelt de Raad vast, dat dit in de kern neerkomt op de vraag of appellante in haar (maatman)arbeid als assistent purser 20 uur per week werkzaam placht te zijn (hetgeen het Uwv stelt), dan wel 9 tot 14 uur per week (hetgeen appellante stelt).

Tot de gedingstukken behoort een rapportage van 2 januari 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige A.H.T. Tee. Daarin heeft deze, op basis van onderzoek naar de toepasselijke CAO en uitvraag bij de personeelsmanager van de KLM, uitvoerig gemotiveerd dat en waarom bij de KLM een part-time aanstelling als (assistent) purser een werkweek van gemiddeld 20 uur omvat. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen. De door appellante overgelegde stukken (urenberekening en chronologische overzichten) hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Daarbij heeft de Raad overwogen, dat volgens zijn vaste jurisprudentie de normale arbeidsduur in de functie van de maatman maatgevend is. Mede gelet op het door appellante ontvangen salaris dient 20 uur per week als de normale arbeidsduur te worden beschouwd. Dat appellante mogelijk in de eerste helft van 1996 tengevolge van verlof feitelijk deels minder uren heeft gewerkt kan hieraan niet afdoen.

De aangevallen uitspraak, waarin wat betreft het materiële geschilpunt, in lijn met het voorgaande is geoordeeld, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor

(get.) I.R.A. van Raaij

MK