Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
05-7420 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Onderbouwing geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7420 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (zittinghoudende te Maastricht) van 16 november 2005, 05/365 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

Het bestreden besluit van 3 februari 2004 waar de aangevallen uitspraak betrekking op heeft, berust op het standpunt dat appellant op 22 september 2003, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellant met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 30,2%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank in de overgelegde stukken en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten heeft gevonden dat het Uwv bij het vaststellen van de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 juli 2003 is uitgegaan van onjuiste medische beperkingen bij appellant. Voorts is de rechtbank van oordeel dat voldoende duidelijk is dat appellant de aan de schatting ten grondslag gelegde functies moet kunnen vervullen.

In hoger beroep heeft appellant zijn tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt daartoe het volgende.

De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van aanknopingspunten in objectief-medische zin, om appellant te kunnen volgen in zijn opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellant geen steun.

De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende. De door appellant in beroep overgelegde informatie van de orthopaedisch chirurg van 24 mei 2004 is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 13 april 2005 beoordeeld en leidde niet tot aanpassing van de FML. Deze rapportage is, zoals blijkt uit het proces verbaal van de rechtbank, ter zitting voorgelezen en toegevoegd aan de pleitnota van het Uwv. Uit vorenbedoelde informatie van de orthopaedisch chirurg vallen ook naar het oordeel van de Raad geen verdergaande beperkingen af te leiden dan de verzekeringsarts in de FML van 11 juli 2003 heeft vastgesteld, noch ziet de Raad hierin aanknopingspunten voor het instellen van een nader medisch onderzoek.

Wat betreft de toepassing van de gewijzigde schattingsmethodiek, met behulp van het zogenoemde Claim Beoordelings- en BorgingsSysteem (CBBS), verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 9 november 2004, zie onder andere LJN: AR4716.

Het is voor de Raad, mede gelet op de eerst in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapportage van 12 oktober 2005, in voldoende mate aannemelijk geworden dat bij het selecteren van voor appellant geschikt te achten functies alle relevante beperkingen van appellant in ogenschouw zijn genomen.

De Raad is van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de drie functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, te weten machinaal metaalbewerker, meteropnemer en samensteller metaalwaren, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellant te liggen. In het licht van de arbeidskundige rapportage van 12 oktober 2005, in samenhang met de arbeidskundige rapportages van 21 juli 2003, 29 januari en 12 maart 2004 bezien, is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid van de functies van alle relevante aspecten voldoende gemotiveerd.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot de toepassing van het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. De kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 3 februari 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M. Lochs.

GdJ