Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
07-2548 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kon betrokkene nog bestrijden dat in het kader van de gedeeltelijke toerekening van de WAO-uitkering van de betreffende (ex)werknemer dat er sprake is geweest van overgang van onderneming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2548 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 maart 2007, 06/6392 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

[Betrokkene],

Datum uitspraak: 14 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.E.J. Verhaeren-Sterrenberg, werkzaam bij PKF Wallast te Capelle aan den IJssel, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2007. Alleen appellant heeft zich laten vertegenwoordigen en wel door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Betrokkene is in 1996 een samenwerkingsverband aangegaan met de heer [v. H.], waarbij ieder 50% van de aandelen in [naam Groothandel] (hierna: [naam Groothandel]) heeft gekregen. Per 1 januari 2001 zijn partijen uit elkaar gegaan en heeft betrokkene een gedeelte van [naam Groothandel], te weten N.H.M., overgenomen. Blijkens de verklaring overgang van onderneming van 22 februari 2001 heeft betrokkene daarbij aangegeven 20% van de totale premieloonsom te hebben overgenomen. Bij besluit van 26 november 2001 heeft appellant vervolgens de gedifferentieerde WAO-premie 2002 voor betrokkene vastgesteld op 6,06%, waarbij rekening is gehouden met het feit dat de onderneming van betrokkene na 1 januari 1998 gedeeltelijk is ontstaan uit en/of is overgegaan in (een) andere onderneming(en). Hiertegen heeft betrokkene geen rechtsmiddel aangewend.

Het besluit op bezwaar van 29 juni 2006 berust op het standpunt van appellant dat in verband met de gedeeltelijke overname van [naam Groothandel] per 1 januari 2001 de aan de (ex)werknemer [ex-werknemer] - die in de periode van 1 januari 1998 tot 31 oktober 2001 in dienst is geweest van [naam Groothandel] - uitbetaalde WAO-uitkering vanaf 5 juli 2000 voor de periode van 1 juli 2004 tot 7 juli 2005 voor 20% aan betrokkene wordt toegerekend.

In beroep is door betrokkene - kort gezegd - aangegeven dat er geen sprake is geweest van een gedeeltelijke overgang van onderneming omdat er altijd twee naast elkaar staande ondernemingen zijn geweest. De WAO-uitkering aan de heer [ex-werknemer] is derhalve ten onrechte deels aan haar doorberekend.

Appellant stelt zich dienaangaande op het standpunt dat reeds bij besluit van 26 november 2001 inzake de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie is uitgegaan van overgang van onderneming en dat, nu daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, deze overgang in rechte vaststaat. Gelet op het feit, dat de (ex)werknemer op de eerste ziektedag, 8 juli 1999, in dienstbetrekking stond tot [naam Groothandel], is op goede gronden het risico van betaling van de WAO-uitkering, naar rato van de overname, toegerekend aan betrokkene.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, in een situatie als onderhavige, waarin de financiële gevolgen van het bestreden besluit groter zijn dan de gevolgen van een besluit tot vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie, aan betrokkene niet met vrucht kan worden tegengeworpen dat zij destijds om haar moverende redenen geen rechtsmiddel heeft aangevoerd tegen het WAO differentiatie besluit en het daarin besloten liggende uitgangspunt dat er sprake is van overgang van onderneming en dat dit uitgangspunt thans alsnog ter discussie kan worden gesteld.

De rechtbank heeft vervolgens het beroep ongegrond verklaard, waartoe is overwogen dat appellant kan worden gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van gedeeltelijke overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek. Nu verder voldaan is aan de voorwaarden van artikel 75b, tweede en vijfde lid, van de WAO heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene deels verantwoordelijk is voor de betaling van de WAO-uitkering van de betreffende (ex)werknemer.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak, voorzover daarin door de rechtbank is geoordeeld dat de vraag of er sprake is van overgang van onderneming alsnog ter discussie gesteld kan worden, gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In haar verweerschrift van 9 juli 2007 heeft betrokkene verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen voor het deel dat ziet op de beslissing ter zake van de gedeeltelijke overgang van onderneming dan wel het toerekenen aan betrokkene van de (gedeeltelijke) kosten van de WAO-uitkering van de heer [ex-werknemer]. De Raad stelt echter vast dat uitsluitend appellant (tijdig) hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Nu incidenteel hoger beroep niet tot de mogelijkheden behoort en het onderwerp waarop het verzoek van betrokkene betrekking heeft ook niet verweven is met de gronden van het hoger beroep van appellant, terwijl voorts ook niet gezegd kan worden dat van betrokkene in redelijkheid niet kon worden verlangd (tijdig) zelfstandig hoger beroep in te stellen, kan de Raad niet ingaan op het verzoek van betrokkene.

Het hoger beroep is dan ook beperkt tot de vraag of het betrokkene in het kader van de gedeeltelijke toerekening van de WAO-uitkering van de betreffende (ex)werknemer nog vrij stond te bestrijden dat er sprake is geweest van overgang van onderneming.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend onder verwijzing naar zijn uitspraken van 27 oktober 2005 (USZ 2005/421) en 16 februari 2006 ( LJN AX 8383). Is eenmaal komen vast te staan tussen partijen dat er sprake is geweest van overgang van onderneming, dan kan dat later niet opnieuw ter discussie worden gesteld. Uit het door appellant in eerste aanleg overgelegde besluit van 26 november 2001, waarmee de voor 2002 door betrokkene verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie is vastgesteld, kan de Raad niet anders concluderen dan dat het betrokkene volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat aan dat besluit ten grondslag is gelegd dat betrokkene [naam Groothandel] gedeeltelijk heeft overgenomen. Nu tegen dat besluit niet is opgekomen, kan die overgang van onderneming voor de gedeeltelijke toerekening van een WAO-uitkering van een ex-werknemer bij besluit van 29 juni 2006 niet opnieuw ter discussie worden gesteld door betrokkene.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

RB