Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
06-400 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De medische informatie in hoger beroep geeft geen andere visie op de medische situatie van betrokkene, zoals beschreven in de aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/400 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 december 2005, 04/16 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Appellant is verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

Bij een besluit op bezwaar van 9 december 2003 (bestreden besluit) heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 30 oktober 2003 vastgesteld op 35 tot 45%.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 30 oktober 2003 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen, met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 35,13%.

In beroep heeft, op verzoek van de rechtbank, psychiater B.J. van Eyk, als onafhankelijke en onpartijdige deskundige, rapport uitgebracht over appellants gezondheidstoestand op de in geding zijnde datum 30 oktober 2003. Van Eyk kan zich, op basis van zijn onderzoek zoals weergegeven in zijn rapportage van 27 december 2004, verenigen met de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 augustus 2003. Verder is hij van mening dat appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden behorende bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. Daarnaast adviseert Van Eyk appellant te laten onderzoeken door een reumatoloog.

De rechtbank heeft vervolgens reumatoloog G.H.C. Schardijn, als onafhankelijke en onpartijdige deskundige, verzocht de rechtbank te adviseren inzake appellants gezondheidstoestand op 30 oktober 2003. Schardijn is op basis van zijn onderzoek zoals weergegeven in zijn rapportage van 8 maart 2005, van mening dat de mogelijkheden bij appellant, als verwoord in de FML van 15 augustus 2003, juist zijn weergegeven en acht appellant in staat de geduide functies te vervullen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de conclusies van de deskundigen niet te volgen en oordeelt dat de belastbaarheid van appellant op 30 oktober 2003 juist is vastgesteld. De rechtbank verklaart vervolgens het beroep, gericht tegen het bestreden besluit, dan ook ongegrond.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerder ingebrachte grieven herhaald en aangevoerd dat hij niet in staat is arbeid te verrichten. Voorts is hij van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met de door hem ingebrachte medische informatie van zijn huisarts en neuroloog Notermans.

Onder verwijzing naar, en onderschrijving van, het standpunt van de rechtbank in de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat appellants mogelijkheden zoals weergegeven in de FML van 15 augustus 2003 zijn belastbaarheid op de in geding zijnde datum niet overstijgt. Evenals de rechtbank hecht de Raad doorslaggevende betekenis aan het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad dat de door appellant overgelegde medische informatie geen zodanige andere - afwijkende - visie geeft op de medische situatie van appellant op de in geding zijnde datum, dat hierin aanknopingspunten zijn gelegen voor een andere opvatting dan in de aangevallen uitspraak is neergelegd. De Raad merkt nog op dat aan de eigen mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand de Raad niet dat gewicht kan toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien.

Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M. Lochs.

GdJ