Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
06-1007 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Terugvordering betaalde voorschotten. Juistheid belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1007 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2006, 05/2253 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het Uwv aan appellant, aansluitend op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 13 september 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat appellant per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij besluit van 6 april 2005 heeft het Uwv de aan appellant, ingevolge de WAO, verstrekte voorschotten over de periode 13 september 2004 tot en met 31 januari 2005 ten bedrage van € 4.337,95 van appellant teruggevorderd.

De door appellant ingediende bezwaren gericht tegen voormelde besluiten heeft het Uwv bij besluit van 20 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Wat betreft de arbeids(on)geschiktheidsbeoordeling is de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat de mogelijkheden van appellant op juiste wijze zijn weergegeven in de zogenoemde kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (kFML) van 20 december 2004. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat eerst na het instellen van het beroep door het Uwv een voldoende duidelijke onderbouwing van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is geleverd. Wat de terugvordering betreft heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen dringende redenen heeft aangevoerd op grond waarvan het Uwv van de terugvordering had moeten afzien. Dat leidde de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond moest worden verklaard, maar tevens dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven.

In hoger beroep herhaalt appellant zijn eerder ingebrachte grieven dat hij verdergaand beperkt is en niet in staat is om arbeid te verrichten.

Het Uwv heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de medische beoordeling van de in geding zijnde schatting op een juiste en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat appellants mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid zoals weergegeven in de kFML van 20 december 2004 niet zijn overschat. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat hij daaraan gehecht wil zien.

De Raad onderschrijft voorts in lijn met zijn uitspraak van 17 april 2007, LJN: BA2955, wat betreft de arbeidskundige grondslag van de in geding zijnde schatting, het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van appellant voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Wat betreft de terugvordering overweegt de Raad dat appellant hiertegen geen afzonderlijke grieven heeft ingediend zodat, gelet op het hiervoor overwogene, de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M. Lochs.

GdJ