Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
06-6990 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbare werkloosheid.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/92
RSV 2008, 108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6990 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 november 2006, 06/543 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant,

met tevens als partij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 30 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. T. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend. Appellant heeft daarop gereageerd.

Desgevraagd heeft het College te kennen gegeven als belanghebbende aan het geding te willen deelnemen. Bij brief van 31 oktober 2007 heeft het College zijn zienswijze over het geding kenbaar gemaakt.

Appellant heeft twee vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene is verschenen mr. Rhijnsburger. Het College heeft zich na voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Betrokkene is met ingang van 16 december 2002 in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) een arbeidsovereenkomst aangegaan met de dienst Werkstad van de gemeente Rotterdam (hierna: Werkstad) namens het College. De arbeidsovereenkomst is na intrekking van de WIW per 1 januari 2004 voortgezet als een dienstbetrekking welke geldt als een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) en is op 16 december 2004 met twee jaar verlengd.

2.2. Tot december 2004 heeft betrokkene via Werkstad gewerkt bij de Stichting Humanitas. Vervolgens is zij door Werkstad actief bemiddeld naar een baan op de reguliere arbeidsmarkt, waarbij erop is gewezen dat bemiddeling problematisch is indien zij geen kinderopvang regelt. Op 4 juli en 31 augustus 2005 is met betrokkene gesproken over een functie als productiemedewerker bij re-integratiebedrijf Sagenn binnen het zogenoemde Moederproject. Dit project is in het bijzonder gericht op arbeidsinschakeling van (alleenstaande) ouders, de werktijden zijn afgestemd op de openingstijden van kinderopvanginstellingen en er is vervoer naar het werk geregeld. Uit de rapportage van Werkstad van 1 september 2005 blijkt dat betrokkene na een gesprek op die dag telefonisch heeft meegedeeld dat zij het aangeboden werk niet kon aanvaarden omdat zij de opvang van haar kinderen van destijds 3 en 5 jaar niet heeft kunnen regelen. Bij brief van 1 september 2005 heeft het College de arbeidsovereenkomst per 31 oktober 2005 opgezegd, omdat betrokkene door haar eigen toedoen een reguliere baan is misgelopen.

2.3. Op 23 september 2005 heeft betrokkene een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft het Uwv bij wijze van maatregel de uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat betrokkene had kunnen weten dat haar gedrag tot ontslag zou leiden, zodat zij verwijtbaar werkloos is. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 februari 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van die bepaling alsmede aan artikel 27, eerste lid, van die wet. Ingevolge artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden, indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat, indien de werknemer de verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval wordt de uitkering gedeeltelijk geweigerd over een periode van 26 weken door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het de bedoeling van een WIW-dienstbetrekking is dat men doorstroomt naar een reguliere baan. Van betrokkene had mogen worden verwacht dat zij, nu de gelegenheid zich voordeed een reguliere baan te krijgen op 1 september 2005, kinderopvang had geregeld en dat zij had kunnen weten dat het weigeren van de baan binnen het Moederproject tot haar ontslag zou leiden. Op 1 september 2005 is zij gewezen op de consequenties van het weigeren van de baan. Voorts is de partner van betrokkene met wie zij sinds 8 september 2005 samenwoont de aangewezen persoon om de kinderen naar school te brengen. Zij had het verzoek kunnen doen om met ingang van deze datum te mogen beginnen binnen het Moederproject.

3.1. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft zij een verklaring van 2 februari 2006 van Werkstad overgelegd, welke is opgesteld in het kader van een door haar tegen het College gevoerde procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag. Blijkens deze verklaring is de ontslagreden gewijzigd en luidt deze nu dat betrokkene voor Werkstad niet bemiddelbaar was en dat voortzetting van de arbeidsverhouding niet langer zinvol was. Werkstad heeft verder verklaard dat betrokkene op ongeschoold werk is aangewezen en dat de re-integratiebedrijven waarmee Werkstad contacten onderhoudt werktijden hanteren die niet aansluiten bij de openingstijden van de opvanginstellingen. Voorts is een brief van 27 april 2006 van NSO Pico Bello overgelegd waarin deze instelling verklaart geen mogelijkheden te hebben voor voorschoolse opvang.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv binnen acht weken na deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het in het bestreden besluit ingenomen standpunt gelet op de schriftelijke verklaring van Werkstad van 2 februari 2006 niet langer houdbaar. De rechtbank stelt vast dat appellant zijn standpunt ten aanzien van de verwijtbaarheid van betrokkene niet heeft gewijzigd, maar aanleiding heeft gezien een onderzoek in te stellen naar de openingstijden van kinderdagverblijven. De drie kinderdagverblijven waarbij informatie is ingewonnen zijn echter niet gelegen binnen het postcodegebied van betrokkene. De rechtbank acht het onderzoek van appellant op dit punt onzorgvuldig.

4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verklaring van Werkstad van 2 februari 2006 geen ander licht op de zaak werpt en geen verandering brengt in het feit dat de ontslagreden destijds was dat betrokkene de kinderopvang niet had geregeld en dat hierdoor de re-integratiepogingen zijn mislukt. Appellant acht het niet onzorgvuldig dat hij een onderzoek naar de opvangmogelijkheden buiten het postcodegebied van betrokkene heeft gedaan, nu zij heeft gesteld dat in haar omgeving geen voorschoolse opvang aanwezig is. Voorts voert appellant aan dat de stelling van betrokkene dat de voorschoolse opvang een probleem vormt niet is gedocumenteerd en dat de rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft geschonken aan het feit dat de partner van betrokkene de aangewezen persoon was om de kinderen naar school te brengen.

4.2. In verweer heeft betrokkene gesteld dat geen sprake was van regulier werk, dat Werkstad achteraf heeft ingezien dat zij niet in staat was passende kinderopvang te realiseren en dat de rechtbank terecht oordeelde dat het onderzoek naar de beschikbaarheid van voorschoolse opvang onzorgvuldig is geweest.

4.3. Het College heeft meegedeeld dat betrokkene tijdens de comparitie van partijen bij de kantonrechter in de tegen het ontslag gevoerde procedure het College ervan heeft overtuigd dat zij als alleenstaande moeder problemen had met de opvang van haar kinderen voor het begin van de school en dat dit heeft geleid tot de brief van 2 februari 2006. Nu achteraf is gebleken dat betrokkene vanaf 8 september 2005 met een partner samenwoonde waren de kinderopvangproblemen aanzienlijk kleiner dan zij ten tijde van het werkaanbod en de comparitie van partijen deed voorkomen, zo niet nihil. Bij nader inzien is het College van mening dat van betrokkene had mogen verwacht dat zij het arbeidsaanbod van Sagenn had aanvaard en dat zij verwijtbaar werkloos was.

5.1. In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad overweegt het volgende.

5.2. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de arbeidsovereenkomst van betrokkene en de bemiddelingsactiviteiten van Werkstad erop waren gericht betrokkene te doen uitstromen naar een dienstverband op de reguliere arbeidsmarkt. Volgens artikel 10 van het arbeidscontract wordt de arbeidsovereenkomst opgezegd met toepassing van artikel 4, zevende lid, onder a, van de WIW en artikel 11, tweede lid, van de CAO-WIW indien de werknemer een aanbod tot passende arbeid buiten Werkstad weigert. De Raad tekent hierbij aan dat artikel 4, zevende lid, onder a, van de WIW op grond van artikel 14, tweede lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand ook na 1 januari 2004 van toepassing is gebleven op de arbeidsovereenkomst van betrokkene.

5.3. Betrokkene heeft niet betwist dat zij is ontslagen omdat zij het haar aangeboden werk heeft geweigerd. Zij stelt dat haar niet kan worden verweten dat zij de verplichting om te voorkomen dat zij verwijtbaar werkloos zou worden niet is nagekomen, omdat zij geen voorschoolse opvang voor haar kinderen heeft kunnen regelen. Naar het oordeel van de Raad lag het onder deze omstandigheden primair op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken dat zij wegens het ontbreken van adequate mogelijkheden voor de opvang van haar kinderen niet in staat was de haar aangeboden arbeid te aanvaarden. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, rustte dan ook niet een verplichting op appellant om onderzoek te doen naar de beschikbaarheid van kinderopvang. De Raad heeft in door betrokkene aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende grond gevonden voor het oordeel dat haar niet kan worden verweten dat zij de haar aangeboden arbeid niet heeft aanvaard. Dat er geen adequate opvang voor haar kinderen beschikbaar was, is door betrokkene niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd. De enkele stelling dat er geen georganiseerde (voorschoolse) opvangmogelijkheden waren en dat ook haar partner en haar sociale netwerk geen opvang konden bieden is in dit verband ontoereikend. Uit de brief van 27 april 2006 van NSO Pico Bello blijkt niet of en zo ja, op welke datum betrokkene haar kinderen heeft aangemeld voor voorschoolse opvang. Ook op andere wijze heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat zij geen adequate voorziening voor de opvang van haar kinderen heeft kunnen vinden en dat zij het aangeboden werk om die reden niet heeft kunnen aanvaarden.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW