Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
06-826 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding kosten voor rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/826 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2006, 05/1418 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Mr. ing. B.J.B. Boersma, thans wonende te Langezwaag, heeft h.o.d.n. Customs Knowledge, Advies, opleiding & procedures, namens appellant hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2008. Voor appellant is verschenen mr. ing. Boersma en voor het Uwv W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 18 februari 2005 is ongegrond verklaard het door mr. F.A. Geevers, advocaat te Utrecht, namens appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2003 waarbij de aan appellant toegekende WAO-uitkering per 4 september 2003 is herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

Tegen het besluit van 18 februari 2005 is bij brief van 30 maart 2005 beroep ingesteld door B.J.B. Boersma die evenals appellant in persoon aanwezig is geweest ter zitting van de rechtbank op 12 september 2005 (waarna het onderzoek ter zitting is heropend; een vervolgzitting heeft met toestemming van de beide partijen niet plaatsgevonden).

Bij nader besluit op bezwaar van 10 november 2005 is appellants bezwaar alsnog gegrond verklaard met als gevolg dat appellant per 4 september 2003 ongewijzigd 80% of meer arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat als gevolg van het nadere besluit op bezwaar zijn processuele belang aan het ingestelde beroep is komen te ontvallen. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep betaalde griffierecht vergoedt en voorts het Uwv veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 48,04 aan reiskosten op basis van openbaar vervoer.

Wat de proceskostenveroordeling betreft heeft de rechtbank overwogen dat:

­ appellant niet in aanmerking komt voor vergoeding van de door hem geclaimde kosten van in beroep verleende rechtsbijstand, aangezien ter zitting is gebleken dat door zijn gemachtigde niet beroepsmatig rechtsbijstand wordt verleend,

­ wat de door appellant geclaimde reiskosten betreft (2x 500 km per (eigen) auto van Gasselternijveen naar Barendrecht vv) uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen de reiskosten in verband met het bijwonen door appellant van de rechtbankzitting (op 12 september 2005) tot een bedrag van € 48,04 voor reizen

per openbaar vervoer, aangezien niet is gebleken dat reizen per openbaar vervoer voor appellant niet of niet voldoende mogelijk is en appellant dus niet in aanmerking komt voor een kilometervergoeding voor het reizen per (eigen) auto,

­ de door appellant geclaimde reiskosten in verband met het bezoek aan zijn gemachtigde niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat die kosten redelijkerwijs gemaakt hadden moeten worden, immers, de voor het beroep relevante gegevens waren reeds in de bezwaarfase goeddeels verkregen en niet is in te zien dat voor het overige geen gebruik had kunnen worden gemaakt van telecommunicatiemiddelen voor de kosten waarvan artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een voorziening biedt, en

­ haar van andere proceskosten niet is gebleken.

In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen de weigering van de rechtbank om de forfaitaire vergoeding van € 644,-- voor de aan hem in beroep verleende rechtsbijstand toe te kennen, de reële kosten van zijn reis per (eigen) auto (500 km) in verband met het bezoek aan zijn gemachtigde te Barendrecht te vergoeden en die (ook 500 km) voor het bijwonen van de zitting te Rotterdam slechts te vergoeden tot het bedrag van € 48,04 dat het reizen per openbaar vervoer hem zou hebben gekost.

Appellant heeft uitvoerig betoogd dat Boersma ten tijde van het instellen van het beroep bij de rechtbank weliswaar zijn (naaste) buurman was, maar dat zulks niet wegneemt dat er sprake is (geweest) van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, gelijk is omschreven in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Immers, Boersma, jurist, is jarenlang werkzaam geweest als juridisch medewerker bij de overheid (tot 1 maart 2003), vervolgens als advocaat (tot 1 februari 2005) en sedertdien onder de naam “Customs Knowledge” in het kader van welk (eigen) bedrijf hij zich onder meer bezig houdt met het procederen tegen diverse bestuursorganen. Appellant is dan ook van mening dat buiten kijf is dat Boersma ten tijde van het instellen van het beroep bij de rechtbank, voordien en nadien, professioneel rechtsbijstand verleende (en thans nog steeds verleent).

Voorts heeft appellant aangegeven dat en waarom het naar zijn mening nodig is geweest om vis-à-vis op 2 september 2005 met het oog op de rechtbankzitting op 12 september 2005 het een en ander over het beroep met elkaar te bespreken.

Tevens heeft appellant aangevoerd dat hij, in aanmerking genomen dat en om welke medische redenen hij volledig arbeidsongeschikt is bevonden, niet in staat was om van Gasselternijveen per openbaar vervoer op 2 september 2005 naar Barendrecht en op 12 september 2005 naar Rotterdam (en terug) te reizen. Beide autoritten (heen en terug) heeft zijn echtgenote aan het stuur van de eigen auto gezeten, zo heeft appellant hieraan toegevoegd. Maar ook al zou worden vastgesteld dat hij in zijn gezondheidstoestand wel van het openbaar vervoer gebruik had kunnen maken, dan nog had hij op de zittingsdag niet met gebruikmaking daarvan op tijd in de rechtbank te Rotterdam aanwezig kunnen zijn om de om 10.30 uur geplande aanvang van de behandeling ter zitting van zijn beroepszaak bij te wonen Appellant deelt niet het door het Uwv in het verweerschrift ingenomen standpunt dat niet is in te zien waarom hij in verband met het ontbreken van openbaar vervoer zo vroeg in de ochtend de reis per eigen auto niet had kunnen beperken tot het traject van huis naar het NS-treinstation te Assen om daar om 06.33 uur te vertrekken en om (09.16 uur plus

1 minuut lopen) 09.17 uur zeer tijdig vóór de aanvang van de behandeling van zijn beroep ter zitting te Rotterdam aanwezig te zijn.

De Raad overweegt het volgende.

Rechtsbijstandskosten

Appellant is er met hetgeen hij in hoger beroep heeft aangevoerd niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat Boersma als zijn gemachtigde hem in beroep rechtsbijstand heeft verleend op de wijze als bedoeld en vereist in het Bpb, te weten - gelijk ook de rechtbank heeft overwogen - beroepsmatig, dat wil zeggen uit hoofde van diens - geheel of ten dele op het verlenen van rechtsbijstand gericht - beroep.

Of Boersma als gemachtigde in beroep op een professionele en juridisch kundige wijze rechtsbijstand heeft verleend, is een (andere) vraag die hier niet aan de orde is en dan ook geen beantwoording behoeft.

De rechtbank heeft niet in concreto aangegeven op grond van welke gegevens zij tot haar oordeel is gekomen, maar daarin ziet de Raad, afgaande op de gedingstukken, om de volgende redenen onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de aangevallen uitspraak lijdt aan een motiveringsgebrek dat zó ernstig is dat die uitspraak niet in stand kan worden gelaten.

Het beroepschrift is ingediend door Boersma als gemachtigde van appellant. Als afzender is vermeld Bart Boersma en als ondertekenaar B.J.B. Boersma. Het beroepschrift is ingediend per fax: “From: B Boersma”. Uit niets in, aan of bij dat beroepschrift kan worden afgeleid dat Boersma daarbij heeft gehandeld in de uitoefening van enig beroep, laat staan een (geheel of ten dele) op het verlenen van rechtsbijstand - al dan niet in bestuursrechtelijke zaken - gericht beroep. Hetzelfde geldt voor de aanvullende beroepschriften van 1 mei 2005 en 26 september 2005.

Ter zitting van de rechtbank op 12 september 2005 heeft Boersma zich in zijn ter zitting overgelegde en van het proces-verbaal van die zitting deel uitmakende pleitnota gepresenteerd als mr. ing. B.J.B. Boersma. Daaruit en evenmin uit hetgeen overigens ter zitting is verhandeld, is af te leiden dat Boersma daar op dat moment is opgetreden uit hoofde van een zodanig beroep. De Raad tekent hierbij aan dat Boersma tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank de beschikking over het proces-verbaal van de zitting op 12 september 2005 heeft gekregen, maar er zich bij de rechtbank niet over heeft beklaagd dat de inhoud daarvan op een of meer cruciale onderdelen niet juist of niet volledig zou zijn. De Raad gaat er dan ook vanuit dat dat proces-verbaal wat de te dezer zake relevante gegevens betreft juist en volledig is.

Boersma woonde ten tijde van het indienen van het beroepschrift nog direct naast appellant; korte tijd later is appellant verhuisd (naar Gasselternijveen). De vermelding door Boersma van zijn voornaam in diverse brieven van zijn hand en het ter zitting van de rechtbank aanduiden van appellant bij diens voornaam dragen evenmin bij aan het trekken van de conclusie dat Boersma in de beroepsfase handelde uit hoofde van enig (op het verlenen van rechtsbijstand gericht) beroep.

Reiskosten

Wat de door appellant geclaimde kosten van zijn reis op 2 september 2005 naar en van zijn te Barendrecht wonende gemachtigde Boersma betreft deelt de Raad geheel het hiervoor weergegeven oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank.

Wat de reiskosten in verband met het bijwonen van de rechtbank-zitting betreft is de Raad met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat voor appellant het gebruikmaken van het openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk was.

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn stelling dat hij in verband met zijn gezondheidstoestand op dat moment niet van het openbaar gebruik kon maken geen medische verklaring overgelegd. Dat appellant toen volledig arbeidsongeschikt was, wil nog niet zeggen dat hij wat de reis van Gasselternijveen naar Rotterdam en later op de dag terug betreft niet van het openbaar vervoer gebruik zou hebben kunnen maken. Noch de in de kritische Functionele Mogelijkheden Lijst in verband met met name appellants hartklachten opgenomen urenbeperking (maximaal 10 uren per week) noch de andere daarin opgenomen beperkingen geven daartoe voldoende aanleiding.

Appellants stelling dat hij vanuit zijn woonplaats Gasselternijveen met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet op tijd ter rechtbankzitting te Rotterdam aanwezig kon zijn, wordt door de Raad niet gedeeld. Appellant is er daarbij vanuit gegaan dat de behandeling van zijn zaak ter zitting zou aanvangen om 10.30 uur. Dat uitgangspunt is evenwel niet in overeenstemming met de uitnodigingen voor die zitting alsook het proces-verbaal van die zitting, immers, daarin is als gepland aanvangstijdstip vermeld 10.50 uur. Maar ook indien zou komen vast te staan dat appellant bij dat latere aanvangstijdstip vanuit Gasselternijveen met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet op tijd ter zitting aanwezig had kunnen zijn, dan nog kan appellants stelling niet worden gevolgd. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de rechtbank er bij haar planning vanuit is gegaan dat appellant nog woonachtig was te Barendrecht en op die korte afstand zonder meer om 10.50 uur ter zitting aanwezig zou kunnen zijn. Het rechtbankdossier bevat geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de rechtbank er vóór die zitting mee bekend is geweest dat appellant inmiddels was verhuisd naar Gasselternijveen. In de (van 9 juni 2005 daterende) uitnodigingen voor de zitting op 12 september 2005 (en ook in het proces-verbaal van die zitting) staat appellant nog te boek als wonende te Barendrecht. Indien appellant toen van mening was geweest dat hij vanuit Gasselternijveen bij gebruikmaking van het openbaar vervoer niet op tijd ter zitting te Rotterdam aanwezig kon zijn en dus was aangewezen op reizen per (eigen) auto, dan had het op zijn weg gelegen om zulks bij de rechtbank te melden. Appellant heeft er niet voor gekozen de rechtbank in de gelegenheid te stellen het aanvangstijdstip om die reden iets later te stellen. Doordat appellant dat heeft nagelaten, kunnen de kosten van het reizen per eigen auto niet worden aangemerkt als noodzakelijkerwijs gemaakte reiskosten en heeft de rechtbank terecht volstaan met het vergoeden van de kosten van openbaar vervoer.

Gelet op het vorenstaande slaagt appellants hoger beroep niet. Voor vergoeding van proceskosten in hoger beroep bestaat dan ook geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten,

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HS