Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5096

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
06-7297 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzijng aanvraag: onvoldoende aannemelijk dat betrokkene op de door haar opgegeven woonadressen verbleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7297 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 november 2006, 06/1669 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.M. Heltzel, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 januari 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft, nadat ze zich op 13 december 2005 bij het CWI had gemeld, op 27 december 2005 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Daarbij heeft zij aangegeven sinds begin december 2005 bij een kennis in te wonen op het adres [adres], op welk adres zij ook bij de gemeentelijke basisadministratie (GBA) stond ingeschreven. Naar aanleiding van deze aanvraag is een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellante ingesteld. In dat kader heeft op 3 januari 2006 een gesprek met haar plaatsgevonden. Zij verklaarde toen op dringend verzoek van de hoofdbewoner uit de woning te zijn vertrokken, nadat zij hem om gegevens had gevraagd in verband met de beoordeling van de bijstandsaanvraag. Zij kon geen contract noch betalingsbewijzen van huur van de betreffende woning overleggen. Vervolgens heeft appellante op 4 januari 2006 telefonisch aangegeven dat zij inwonend is op het adres [adres 2]. Zij stelde op dat moment geen huurcontract te hebben. Op 18 januari 2006 heeft op dat adres een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. Appellante werd in eerste instantie niet aangetroffen, maar verscheen nadien alsnog met een vriendin bij wie zij naar eigen zeggen eerder wel eens bleef slapen. Bij het bezoek aan de woning kon appellante slechts enkele kledingstukken tonen. Sokken en ondergoed ontbraken evenals handdoeken. Op het bed, dat een onbeslapen indruk maakte, lag geen beddengoed met uitzondering van een kussentje en een doek. Evenmin was er in de woning voedsel aanwezig. Voor het raam hing geen vitrage of gordijn. In een plastic tas werd de administratie van appellante aangetroffen.

De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 januari 2006. Op basis daarvan heeft het College bij besluit van 27 januari 2006 de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt op de door haar opgegeven adressen woonachtig te zijn (geweest). Doordat de woonsituatie van appellante onduidelijk is gebleven, is niet vast te stellen of appellante recht op bijstand heeft.

Bij besluit van 9 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit 9 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van de hiervoor weergegeven bevindingen van het onderzoek is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op de door haar opgegeven woonadressen verbleef, zodat onduidelijk was hoe de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante ten tijde in geding was. Aan het alsnog tijdens de bezwaarfase door appellante ingebrachte huurcontract van de woning op het adres [adres 2] hecht de Raad geen betekenis, reeds omdat appellante aanvankelijk heeft verklaard geen huurcontract te hebben en omdat het contract eerst op 31 januari 2006 is ondertekend. Ook aan de aanwezigheid van enige administratieve bescheiden van appellante in die woning komt, afgezet tegenover de overige bevindingen, geen zwaarwegende betekenis toe, te minder nu de bankafschriften waren geadresseerd aan het adres van een vriendin van appellante. Als gevolg van die door appellante zelf in het leven geroepen onduidelijkheid kan het recht op bijstand van appellante ten tijde in geding niet meer worden vastgesteld.

Dat naar aanleiding van een nieuwe aanvraag bij besluit van 28 februari 2006 aan appellante met ingang van 2 februari 2006 alsnog bijstand is toegekend doet aan het vorenstaande niet af, nu blijkens de bevindingen van het op 24 februari 2006 afgelegde huisbezoek op het adres [adres 2] de woonsituatie van appellante ingrijpend veranderd was.

Vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat het College terecht de aanvraag om bijstand heeft afgewezen op de grond dat door schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellante ten tijde in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en R.H.M. Roelofs en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken op 19 februari 2008.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) W. Altenaar.

AR