Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
07-4423 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling gedifferentieerde WAO-premie. Toekenning WAO-uitkering aan werknemer. Overgang van onderneming. Eigenrisicodrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4423 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 juni 2007, 07/178 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene]

Datum uitspraak: 21 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene is verschenen H.F.A.M. Schellens.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij besluit van 27 juni 2000 heeft appellant aan [werknemer] (hierna: de werknemer) per 16 juni 2000 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Per 1 januari 2001 is de ‘[bedrijfsnaam 1]’ gesplitst in [bedrijfsnaam 2], [bedrijfsnaam 3] (betrokkene) en [bedrijfsnaam 4]

Bij besluit van 30 januari 2001 heeft appellant de door betrokkene verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie voor 2001 vastgesteld op 1,00%. In dit besluit heeft appellant medegedeeld dat er bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie rekening mee gehouden is dat betrokkene na 1 januari 1998 (gedeeltelijk) is ontstaan uit en/of is overgegaan in (een) andere onderneming(en). Uit de bijlage bij het besluit blijkt dat bij de bepaling van de hoogte van de premie rekening is gehouden met aan betrokkene toegerekende WAO-uitkeringen, en dat voor de bepaling van de gemiddelde premieloonsom over de jaren 1995 tot en met 1999 premieloonsommen aan betrokkene zijn toegerekend. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit.

Per 1 juli 2004 is betrokkene eigen risicodrager geworden.

Bij besluit van 17 oktober 2005 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat aan de werknemer een uitkering ingevolge de WAO is toegekend en dat betrokkene voor deze werknemer voor 37% het risico van de WAO-uitkering draagt, welk percentage is vastgesteld bij de gedeeltelijke bedrijfsovergang in het verleden. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 18 januari 2007 heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Daartoe heeft appellant overwogen dat betrokkene per 1 januari 2001 37% van [bedrijfsnaam 2] heeft overgenomen en dat de werknemer op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in dienstbetrekking stond tot [bedrijfsnaam 2]. Nu betrokkene eigenrisicodrager is geworden, is volgens appellant op goede gronden besloten 37% van de WAO-uitkering van de werknemer op betrokkene te verhalen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 18 januari 2007 vernietigd en - met bepalingen omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten - appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank is gelet op de feiten en omstandigheden van het geval van oordeel dat geen sprake is van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 van het BW.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat bij het besluit van 30 januari 2001, betreffende de door betrokkene verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie voor 2001, het rechtsgevolg van de overgang van onderneming is geëffectueerd. Appellant betoogt dat, nu betrokkene geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen dit besluit, het rechtsgevolg van de overgang van onderneming is komen vast te staan.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad kan, als eenmaal tussen partijen is komen vast te staan dat sprake is geweest van overgang van onderneming, die overgang van onderneming niet op een later moment opnieuw ter discussie gesteld worden.

Uit het door appellant ingezonden besluit van 30 januari 2001 kan de Raad niet anders concluderen dan dat het betrokkene duidelijk moet zijn geweest dat aan dat besluit ten grondslag is gelegd dat sprake is geweest van overgang van onderneming. In dit kader acht de Raad mede van belang dat blijkens de bijlage bij het besluit van 30 januari 2001 de door appellant aangenomen overgang van onderneming direct gevolgen had voor de hoogte van de door betrokkene in 2001 verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie. Gelet op het feit dat betrokkene niet is opgekomen tegen het besluit van 30 januari 2001, kan de overgang van onderneming in het kader van het onderhavige geschil niet opnieuw ter discussie worden gesteld.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.

(get) R.C. Schoemaker

(get) A. Badermann

RG