Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
07-1062 WUBO + 07-1063 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet is gebleken - en feitelijk wordt ook niet gesteld - dat betrokkene is getroffen geweest door oorlogsgeweld in de zin van de WUBO dan wel dat zij vervolging heeft ondergaan in de zin van de WUV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1062 WUBO + 07/1063 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 1)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 2)

Datum uitspraak: 14 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster 1 van 18 januari 2007, kenmerk JZ/060/2006 (hierna: besluit 1), alsmede tegen het besluit van verweerster 2 van eveneens 18 januari 2007, kenmerk JZ/060/2006 (hierna: besluit 2), welke besluiten ten aanzien van haar zijn genomen ter uitvoering van respectievelijk de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: WUBO) en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de WUV).

Verweersters hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 9 januari 2008. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door haar zoon [naam zoon van appellante], wonende te Purmerend. Verweersters hebben zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in juni 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2006 bij verweersters een verzoek ingediend om respectievelijk op grond van de WUBO te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en op grond van de WUV als vervolgde. Appellante heeft die aanvragen gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

Verweerster 1 heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 20 oktober 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit 1, op de grond dat niet is gebleken dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van de Wet.

Verweerster 2 heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van eveneens 20 oktober 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans betreden besluit 2, op de grond dat niet is komen vast te staan dan wel aannemelijk gemaakt dat appellante vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Ter beantwoording staat de vraag of de bestreden besluiten, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kunnen standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de WUBO respectievelijk erkenning als vervolgde in de zin van de WUV primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de WUBO respectievelijk vervolging als bedoeld in artikel 2 van de WUV heeft ondergaan alvorens verweersters aan een beoordeling van de door de aanvrager gemelde gezondheidsklachten kunnen toekomen. Verweersters hebben dan ook terecht in de eerste plaats beoordeeld of er bij appellante sprake is geweest van een directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld respectievelijk of appellante vervolging heeft ondergaan.

Op grond van de gedingstukken, in het bijzonder het de aanvraag begeleidend sociaal rapport, kan ook de Raad niet tot een andere conclusie komen dan dat niet is gebleken - en feitelijk ook niet wordt gesteld - dat appellante getroffen is geweest door oorlogs-geweld in de zin van de WUBO dan wel dat zij vervolging in de zin van de WUV heeft ondergaan. Zo komt uit het de aanvraag begeleidend sociaal rapport alsmede tijdens de behandeling ter zitting naar voren dat appellante, gezien haar jeugdige leeftijd tijdens de oorlogsjaren, geen enkele herinnering heeft van een onder de WUBO of WUV vallende gebeurtenis.

Voor zover appellante heeft gewezen op de omstandigheid dat zij haar biologische ouders door de oorlog nimmer heeft gekend en zij op zeer jonge leeftijd ter adoptie is afgestaan, merkt de Raad op dat een dergelijke omstandigheid, hoe ingrijpend deze ook moge zijn, niet onder de werking van een van eerder genoemde oorlogswetten kan worden gebracht.

Gezien het voorgaande dienen de beroepen van appellante ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

14.01