Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
07-1265 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1265 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 14 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 februari 2007, kenmerk JZ/O60/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008. Daar is appellante in persoon verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1932, in april 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Appellante heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Duitse bezetting. Zij heeft in dit verband gewezen op onder meer het meemaken van beschietingen in Hoensbroek.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 15 augustus 2002 op de grond dat niet is gebleken dat appellante getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. In dat verband is overwogen - voor zover van belang - dat een directe betrokkenheid van appellante bij bedoelde beschietingen in Hoensbroek niet is komen vast te staan. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

Een door appellante in februari 2006 ingediend verzoek het hiervoor genoemde besluit te herzien heeft verweerster afgewezen bij besluit van 27 april 2006. Ook tegen dat besluit heeft appellante geen bezwaar ingediend.

In juni 2006 heeft appellante zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek de eerdergenoemde besluiten te herzien en haar alsnog in aanmerking te brengen voor - onder meer - een periodieke uitkering.

Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 29 september 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat appellante bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, die als zij destijds bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door een belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die aan verweerster bij de besluitvorming ten behoeve van de eerdere aanvragen niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden het toen genomen besluit te herzien.

Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken. Weliswaar heeft appellante haar oorlogservaringen nader uitgediept en maakt zij melding van getuigen, maar ook in de nader ontvangen verklaringen en overig ontvangen informatie is ook thans geen objectieve bevestiging verkregen een directe betrokkenheid bij eerdergenoemde beschietingen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toetsing van de Raad kan doorstaan en het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

14.01