Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
06/4410 WWB + 06/4411 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4410 WWB

06/4411 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2006, 05/2277 en 05/2278 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.J.H.M. Achten, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellanten zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Achten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W. de Jong, werkzaam bij de gemeente Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving sedert 21 augustus 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een melding dat appellante samenwoont met haar gewezen partner is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. In dat kader is onder meer de Rijksdienst voor het Wegverkeer om inlichtingen gevraagd, zijn observaties uitgevoerd, en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 maart 2005. Het College heeft daarin aanleiding gevonden bij besluit van 18 april 2005 de bijstand van appellante met ingang van 21 augustus 2002 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van

21 augustus 2002 tot en met 28 februari 2005 tot een bedrag van € 38.856,61 van haar terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum is besloten dat bedrag mede terug te vorderen van appellant. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellanten ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden zonder daarvan melding te maken bij het College.

Bij afzonderlijke besluiten van 31 oktober 2005 zijn de tegen de besluiten van 18 april 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak (waarin als verweerder abusievelijk het college van burgemeester en wethouders van Almere is aangeduid) heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 31 oktober 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat het proces-verbaal van de sociale recherche op onderdelen geen juiste weergave vormt van hetgeen appellanten hebben verklaard althans bedoeld hebben te verklaren, dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd en dat bij de langdurige/intensieve observaties slechts enkele malen is geconstateerd dat appellant in of bij de woning van appellante aanwezig was. Voorts is erkend dat appellanten sedert eind 2004/ begin 2005 weer samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van zowel de Algemene bijstandswet (Abw) als van de WWB wordt, voor zover hier van belang, als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Abw/WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van de een door de ander.

Aangezien uit de relatie van appellanten op 12 mei 2000 een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of zij toen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten ten tijde in geding beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres] en onderschrijft de overwegingen waarop dat, uitvoerig gemotiveerde, oordeel is gebaseerd. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de door appellante op 1 maart 2005 tegenover de sociaal rechercheur afgelegde, door haar ondertekende en op onderdelen zeer gedetailleerde verklaring. Deze onafhankelijk afgelegde verklaring is nagenoeg gelijkluidend aan die van appellant en vindt bovendien steun in de verrichte observaties. Van ontoelaatbare druk waaronder de verklaringen tot stand zouden zijn gekomen is de Raad niet gebleken. De grief van appellanten dat de in het proces-verbaal opgenomen verklaring geen juiste weergave vormt van hetgeen appellante heeft verklaard althans bedoeld heeft te verklaren, treft dan ook geen doel. Een en ander leidt ook de Raad tot de slotsom dat appellanten ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding in de woning van appellante hebben gevoerd. Appellante kon derhalve niet als zelfstandig subject van bijstand worden aangemerkt.

Van die gezamenlijke huishouding heeft appellante in strijd met de - ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB - op haar rustende inlichtingenverplichting aan het College geen mededeling gedaan. Als gevolg daarvan is aan appellante ten tijde in geding ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Dat appellante bij behoorlijke nakoming van de inlichtingenverplichting aanspraak zou hebben gehad op aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden is niet aannemelijk gemaakt.

Gelet op het voorgaande was het College ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 21 augustus 2002 tot en met 18 april 2005 (datum primair besluit). Ten aanzien van de intrekking heeft het College gehandeld in overeenstemming met de ter zake gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels.

Daarmee is gegeven dat het College bevoegd was met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over de periode van 21 augustus 2002 tot en met 28 februari 2005 ten onrechte verleende bijstand van appellante terug te vorderen. Ook ten aanzien van de terugvordering heeft het College besloten in overeenstemming met de ter zake gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat is voldaan aan het gestelde in artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat het College bevoegd was de aan appellante ten onrechte verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. Appellant is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, immers de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan appellante feitelijk rekening had moeten worden gehouden. De in hoger beroep betrokken stellingen van appellant komen in wezen neer op een herhaling van wat reeds in eerste aanleg naar voren is gebracht en deze zijn door de rechtbank gemotiveerd en op toereikende gronden verworpen. Bij de medeterugvordering is eveneens in overeenstemming met de door het College ter zake gehanteerde, door de Raad niet onredelijk redelijk geachte beleidsregels gehandeld.

In hetgeen namens appellanten is aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van de beleidsregels geheel of gedeeltelijk van intrekking, terugvordering of medeterugvordering had moeten afzien.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huis-houding.

TG04012008