Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
07-1887 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij het herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek heeft betrokkene in wezen herhaald hetgeen hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvraag had aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1887 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (Indonesië), (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 14 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 22 februari 2007, kenmerk JZ/T60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. K.J. van den Oever, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Blijkens de gedingstukken heeft verweerster bij besluit van 14 december 2000, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2001, afwijzend beslist op de aanvraag van appellant van augustus 2000 om als vervolgde in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Het tegen het besluit van 16 juli 2001 ingestelde beroep is bij uitspraak van de Raad van 11 september 2002, nr. 01/4644 WUV, ongegrond verklaard. In dat verband heeft de Raad overwogen dat niet is gebleken dat appellant van zijn vrijheid beroofd is geweest en dat voorts geen aanknopingspunt is gevonden voor het oordeel dat er sprake is geweest van onderduik, nu van enig gevaar voor internering op grond van Europese afkomst of instelling niet is gebleken.

2. In juni 2006 heeft appellant bij verweerster een hernieuwde aanvraag ingediend om als gelijkgestelde met de vervolgde dan wel als vervolgde in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant aangegeven dat hij ervan getuige is geweest dat zijn vader met geweld door de Japanse bezetter werd opgepakt en weggevoerd; na zijn arrestatie wist vader te ontsnappen en dook hij - vanwege zijn Chinese gelaatstrekken - onder in de Chinese buurt. Voorts heeft appellant aangegeven dat het gezin waartoe hij behoorde ondergedoken is geweest in de kampong te Bekasi en dat hij zich als “inlander” moest gedragen om niet op te vallen bij de Japanners.

2.1. Verweerster heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 13 september 2006 op de grond dat niet gebleken is van relevante nieuwe feiten of gegevens die kunnen leiden tot de conclusie dat er (wel) sprake is geweest van vervolging en voorts dat de oorlogsomstandigheden geen aanleiding geven te onderzoeken of appellant met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Het tegen het besluit van 13 september 2006 ingediende bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

3.1. De onder 2. genoemde aanvraag draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, voor wat betreft de toepassing van het bepaalde in artikel 2 van de Wet, het karakter van een verzoek om herziening van de door verweerster eerder genomen en onder 1. genoemde besluiten aangaande de aanvraag van augustus 2000.

3.2. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het bestreden besluit op dit punt slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in de bezwaarprocedure nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerster bij de besluitvorming over de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om de genomen besluiten te herzien. Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken.

3.3. De Raad stelt vast dat appellant bij zijn herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald hetgeen hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvraag had aangevoerd. Appellant heeft zijn herzieningsverzoek ook niet vergezeld doen gaan van - relevante - gegevens die aan verweerster bij de onder 1. genoemde besluiten niet bekend waren en op onderhavige kwestie een nieuw licht werpen.

3.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toets van de Raad op dit punt kan doorstaan.

4. Wat betreft verweersters weigering om appellant met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Ingevolge dit artikellid kan verweerster, voor zover hier van belang, met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandig-heden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Ook deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het bestreden besluit ook op dit punt slechts terughoudend kan toetsen.

4.2. Blijkens de gedingstukken heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft verkeerd in met vervolging vergelijkbare omstandigheden. Tot dergelijke omstandigheden pleegt verweerster te rekenen het aanwezig zijn als kind bij het wegvoeren van een ouder wanneer dit gepaard is gegaan met excessief geweld. Aangenomen dat de vader van appellant in zijn bijzijn is weggevoerd, oordeelt verweerster dat niet is gebleken dat dit gepaard is gegaan met excessief geweld.

4.3. De Raad kan zich met dit standpunt van verweerster verenigen. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat - zoals namens verweerster ter zitting is toegelicht - ook op basis van het dossier van de broer van appellant geen enkele bevestiging is verkregen dat de vader van appellant, al dan niet met excessief geweld, is opgepakt en weggevoerd.

4.4. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit ook op dit punt in rechte kan standhouden.

5. Ten aanzien van de door appellant naar voren gebrachte grief dat verweerster een indirect onderscheid maakt naar ras nu hij als Nederlander van gemengde afkomst geen aanspraak kan maken op de Wet vanwege zijn verblijf buiten de interneringskampen, merkt de Raad het volgde op.

5.1 Met de totstandkoming van de Wet heeft de wetgever vanuit een bijzondere solidariteitsplicht beoogd een (financiële) compensatie te bieden aan die personen die tijdens oorlogsjaren 1940-1945 in Nederland en het voormalige Nederlands-Indië vervolging hebben ondergaan zoals in de Wet omschreven, dat wil zeggen van hun vrijheid zijn beroofd door opsluiting in plaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking werd beoogd dan wel, om aan die vrijheidsberoving te ontkomen, sterilisatie hebben ondergaan of hebben moeten onderduiken. In het geval van appellant die een dergelijke vervolging niet heeft ondergaan, is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen nu deze behandeling het gevolg is van een door de wetgever (bewust) gemaakt onderscheid in het onder de werking van de Wet brengen van verschillende omstandigheden. De Raad wil - evenals verweerster - niet ontkennen dat een verblijf buiten een kamp onder moeilijke omstandigheden kan hebben plaatsgevonden, maar die omstandigheden staan in een te ver verwijderd verband met doel en strekking van de Wet.

6. Gezien het voorgaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

7. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

11.02.