Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
07-2995 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet vastgesteld dat betrokkene vervolging heeft ondergaan. Geen sprake van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2995 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], Engeland, (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 14 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 20 april 2007, kenmerk JZ/I/70/2007, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008. Aldaar is appellante, naar tevoren was bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1927 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en voorzieningen ingevolge de Wet. Appellante heeft in dit verband gewezen op haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en met name op het omkomen van haar vader tijdens Japanse krijgsgevangenschap.

Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 27 december 2006. Daarbij is overwogen dat verweerster niet heeft kunnen vaststellen dat appellante vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet en dat er geen grond is haar met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet, met de vervolgde gelijk te stellen. Verweerster heeft in het overlijden van de vader van appellante voldoende grondslag gezien voor een gelijkstelling van appellante met de vervolgde, maar is daartoe niet overgegaan omdat zij niet voldoet aan de in dat kader door verweerster gehanteerde eis dat sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van haar vader. Een door appellante tegen genoemd besluit gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Ter beantwoording staat de vraag of gelet op hetgeen appellante in beroep naar voren heeft gebracht, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De Raad heeft in de voorhanden zijnde gegevens geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van verweerster inhoudende dat appellante geen vervolging heeft ondergaan voor onjuist te houden. De Raad ziet daarbij vooral op het gegeven dat appellante zelf heeft aangegeven niet door de Japanners te zijn geïnterneerd. Van de wel door haar vermelde arrestatie en mishandeling van haar moeder en haarzelf door de Kempetai is geen enkele bevestiging verkregen, zodat verweerster deze omstandigheid terecht niet heeft laten meewegen bij de beoordeling van de aanspraken die appellante aan de Wet wenst te ontlenen.

Ten aanzien van verweersters weigering om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge dit artikellid kan verweerster - voor zover van toepassing - met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het besluit op dit punt slechts met terughoudendheid kan toetsten.

Verweerster pleegt het wegvoeren en omkomen van een ouder tijdens de vervolging op één lijn te stellen met vervolging, maar is van oordeel dat appellante niet voldoet aan de door verweerster in dit verband gehanteerde eis dat sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs in verband staan met het omkomen van haar vader. De Raad heeft reeds meermalen geoordeeld dat verweerster in redelijkheid deze eis mag stellen bij verzoeken om gelijkstelling.

Het standpunt van verweerster dat appellante niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarde voor gelijkstelling is in overeenstemming met het advies van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad en op het door een van hen op 5 december 2006 uitgevoerde medisch onderzoek van appellante. Uit het rapport van dit onderzoek blijkt dat er bij appellante sprake is van lichte psychische klachten als gevolg van eigen traumatische ervaringen tijdens de oorlog en in de eerste jaren daarna, alsmede van een licht dysthym beeld als gevolg van levensfaseproblematiek (verlies van naasten en lichamelijke achteruitgang), waarbij de impact van het verlies van de vader niet of nauwelijks traceerbaar is. Verweersters standpunt dat de psychische klachten van appellante niet redelijkerwijs in verband staan met het omkomen van haar vader vindt naar het oordeel van de Raad in genoemd rapport van onderzoek voldoende onderbouwing. Medische informatie die in een andere richting wijst, is niet voorhanden. De ellendige ervaringen die appellante zegt te hebben doorgemaakt als gevolg van het feit dat zij na de arrestatie van haar vader aan haar moeder werd toegewezen en de slechte behandeling die zij van haar moeder kreeg, heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht niet in haar beoordeling betrokken. Deze omstandigheden, die samenhangen met de privésituatie van de betrokkenen, kunnen niet onder de werking van de Wet worden gebracht.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

14.01