Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
05-1070 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Geschiktheid geselecteerde functies. Geven de klachten die appellante ondervindt als gevolg van haar diabetes reden om een zwaardere urenbeperking aan te nemen, dan nu door het Uwv is gedaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1070 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2004, 04/366

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 11 januari 2008, waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Appellante is werkzaam geweest als medewerkster bij de belastingdienst voor 32 uur per week. Zij is laatstelijk op 5 oktober 2000 uitgevallen met psychische klachten als gevolg van hyperthyreoïdie en diabetes mellitus, in verband waarmee aan haar per 30 oktober 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 23 april 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per

25 april 2003 ingetrokken omdat zij in staat wordt geacht haar eigen werkzaamheden te verrichten, en dus niet langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. De bezwaren van appellante tegen dit besluit zijn door het Uwv bij besluit van 6 januari 2004 gegrond geacht. Bij dit laatste besluit heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per

25 april 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Aan dit besluit ligt niet langer ten grondslag dat zij in staat is haar eigen functie uit te oefenen, maar wel dat zij nog gangbare arbeid kan verrichten, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat zij in medische zin beperkt is om meer dan 4 uur per dag en 20 uur per week te werken.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 januari 2004 vernietigd. De rechtbank onderschrijft de medische grondslag van het besluit, meent dat twee van de vijf voor appellante geselecteerde functies niet geschikt zijn, maar is wel van oordeel dat zij op grond van de loonwaarde van de drie resterende functies terecht voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt is geacht. Omdat deze functies haar pas op 18 december 2003 door de arbeidsdeskundige zijn voorgehouden, kan de uitkering van appellante eerst per 19 februari 2004 worden herzien, wat de rechtbank ook in zijn uitspraak heeft bepaald. De rechtbank heeft daarnaast het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep en bepaald dat het betaalde griffierecht moet worden vergoed.

In hoger beroep heeft appellante in hoofdzaak aangevoerd dat zij als gevolg van de beperkingen die zij ondervindt in verband met haar klachten als gevolg van de diabetes, op 19 februari 2004 niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten, waarbij zij onder meer heeft gewezen op de onvoorspelbaarheid, hevigheid en frequentie van de wisselingen in de glucosespiegel, zoals onder meer blijkt uit het pompdagboek dat zij heeft bijgehouden. Zij vindt de aangenomen urenbeperking van maximaal 20 uur per week te licht en acht zich gesteund door de haar behandelende internist

R.J.M. van Leendert.

De bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp meent echter dat de informatie van

Van Leendert en de gegevens uit het pompdagboek geen redenen zijn om appellante zwaarder beperkt te achten.

De Raad heeft aanleiding gezien om de internist J.J.C. Jonker te benoemen als onafhankelijk deskundige. Deze heeft met zijn rapport van 16 juli 2007 verslag gedaan van het door hem verrichte onderzoek. Op vragen van de Raad heeft Jonker geantwoord dat hij zich vanuit het strikte terrein van de interne geneeskunde kan verenigen met de vastgestelde belastbaarheid van appellante. Wel acht hij een nader onderzoek nodig omtrent het psychisch functioneren van appellante en de mogelijke invloed van haar psychisch functioneren op zowel de sterk wisselende glucosewaarden alsmede de invloed op de vermoeidheidsbeleving.

De Raad heeft daarop de psychiater M. Kazemier benoemd als deskundige. Deze heeft bij rapport van 14 november 2007 verslag gedaan van het door hem verrichte onderzoek. Kazemier stelt dat appellante lijdt aan een recidiverende depressie, die ten tijde van de datum in geding, 19 februari 2004, kan gelden als matig ernstig. Kazemier stelt vast dat voor appellante wel een beperking van werktijden van 20 uur per week is meegenomen, maar tevens dat de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp geen rekening heeft gehouden met de depressie en de grote vermoeibaarheid als gevolg daarvan. Als antwoord op de door de Raad gestelde vragen geeft Kazemier onder meer aan dat de belastbaarheid van appellante ten gevolge van de bijkomende depressie bijgesteld dient te worden in urenbelasting. Hij geeft aan dat de instabiele diabetes en de regelmatig optredende hypoglycemieën de vermoeidheid in de hand werken en dat rekening moet worden gehouden met fluctuaties in de alertheid als gevolg van de hypoglycemieën.

De bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink ziet in het rapport van Kazemier geen reden om de vastgestelde duurbeperking van appellante bij te stellen.

De Raad constateert dat partijen met name verdeeld worden gehouden door de vraag of de klachten die appellante ondervindt als gevolg van haar diabetes reden zijn om voor haar op 19 februari 2004 een zwaardere urenbeperking aan te nemen, dan nu door het Uwv is gedaan. Het hoger beroep van appellante beperkt zich dan ook tot de beslissing van de rechtbank om – zelf voorzienende – de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 19 februari 2004 vast te stellen op 55 tot 65%. Tot die datum is haar uitkering steeds uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt van dat uitgangspunt af te wijken.

Naar het oordeel van de Raad is de deskundige Kazemier op overtuigende wijze tot het oordeel gekomen dat voor appellante een te lichte urenbeperking is vastgesteld, en dat deze dient te worden bijgesteld. Daarbij heeft de Raad onder meer betrokken dat de deskundige gemotiveerd heeft aangegeven dat hij van mening is dat appellante ten tijde voor dit geding van belang leed aan een matig ernstige depressie, en dat deze diagnose door onder meer de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp niet is gesteld en meegewogen bij het vaststellen van de urenbeperking van appellante op 20 uren per week en 4 uren per dag. Kazemier heeft weliswaar niet aangegeven hoe zwaar deze urenbeperking wel dient te zijn, maar het is aan de verzekeringsartsen van het Uwv om de beperkingen van appellante nader te beoordelen in het licht van de gestelde diagnose en de overige overwegingen uit het rapport van Kazemier. In ieder geval dient, gelet op de conclusies van Kazemier, een substantieel zwaardere urenbeperking te worden opgenomen dan nu is gebeurd, bij welk oordeel de Raad ook de opmerkingen van de bezwaarverzekeringsarts Weegink in zijn rapportage d.d. 21 december 2007 heeft betrokken, met betrekking tot het door Kazemier verwoorde dagverhaal van appellante.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet in stand kan blijven. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op de bezwaren van appellante dienen te nemen met betrekking tot haar mate van arbeidsongeschiktheid per 19 februari 2004, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 966,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 134,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

HS