Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
06-3838 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3838 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 juni 2006, 06/262 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. N.A.M.H. Fiori, verbonden aan ARAG rechtsbijstand, kantoor Roermond, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 juni 2007 heeft appellant nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene ontving sedert 20 september 2001 een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat betrokkene op 28 februari 2005 is onderzocht door een verzekeringsarts, en nadat zij op 7 en 21 april 2005 gesprekken heeft gehad met de arbeidsdeskundige heeft appellant bij besluit van 29 april 2005 de uitkering per

26 juni 2005 ingetrokken.

Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het thans bestreden besluit van 6 december 2005 ongegrond is verklaard. Appellant heeft daarbij, kort gezegd, overwogen dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld, maar dat twee geduide functies afvielen. De mate van arbeidsongeschiktheid onderging daardoor echter geen wijziging en werd per 26 juni 2005 terecht bepaald op minder dan 15%.

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank was van oordeel dat het bestreden besluit een toereikende medische grondslag heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is echter de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk gemaakt. De selectie van functies heeft plaats gevonden met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Bij een aantal belastingsaspecten van de geselecteerde functies heeft het systeem signaleringen afgegeven (“M”). De arbeidsdeskundige heeft bij een aantal van die signaleringen door middel van een “G”-markering aangegeven dat de desbetreffende belasting de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat en dat dit niet nader hoeft te worden toegelicht. Het betreft de items 7.1. (probleemoplossen) in alle geselecteerde functies en 7.3. (getordeerd actief zijn) in de functie verkoper groothandel. Naar het oordeel van de rechtbank had een nadere motivering inzake deze items niet achterwege mogen blijven. Het beroep is bij de aangevallen uitspraak dan ook gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit moet nemen. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep is door appellant het standpunt ingenomen dat het CBBS-systeem, zoals dat is aangepast na de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 e.v.), voldoende transparant, verifieerbaar en toetsbaar is en dat de in een beperkt aantal situaties voor de arbeidsdeskundige bestaande vrijheid om signaleringen zonder nadere motivering terzijde te stellen hieraan niet afdoet omdat een nadere motivering in die gevallen geen toegevoegde waarde zou hebben. Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971 en volgende), waarin onder meer dit standpunt van appellant uitdrukkelijk door de Raad is verworpen, heeft appellant een aanvullend arbeidskundig rapport van 21 mei 2007 ingezonden waarin een toelichting wordt gegeven op alle signaleringen van alle geduide functies. Geconcludeerd wordt dat de functies onder SBC-code 315090 (administratief medewerker) afvallen, maar dat voldoende functies resteren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid geen wijziging ondergaat.

De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de aangevallen uitspraak op een juiste wijze tot stand is gekomen en overweegt in dit verband als volgt.

Nadat de rechtbank het vooronderzoek had voltooid heeft zij partijen verzocht om toestemming om een onderzoek ter zitting achterwege te laten. Bij brief van 15 mei 2006 heeft appellant die toestemming verleend. Bij brief van 17 mei 2006 heeft betrokkene nadere gronden voor het beroep ingezonden en tegelijk daarbij schriftelijk toestemming verleend om, overeenkomstig artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft de brief van betrokkene van 17 mei 2006, in strijd met artikel 8:39, eerste lid, van de Awb, niet meer aan appellant voorgelegd.

De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het beroep in strijd is met artikel 8:57 van de Awb. De Raad overweegt, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie ter zake, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van de toestemming die eerder is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde gedingstukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij geen aanknopingspunten heeft om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad maakt de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank tot de zijne. Van de zijde van betrokkene zijn (ook) in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van appellant in aanmerking genomen medische beperkingen.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door appellant bij betrokkene aangenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat betrokkene de werkzaamheden, behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan betrokkene voorgehouden functies van verkoper groothandel

(SBC-code 317012), administratief medewerker (SBC-code 515080) telefonist (SBC-code 315120) en receptionist (SBC-code 315150) niet zou kunnen verrichten. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 21 mei 2007 uitvoerige toelichtingen zijn gegeven naar aanleiding van alle gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van een aantal belastingsaspecten van de geselecteerde functies in relatie tot de belastbaarheid van betrokkene, ook inzake de items 7.1. (probleemoplossen) en 7.3. (getordeerd actief zijn). Van de zijde van betrokkene is deze rapportage - evenmin als de overige arbeidskundige rapportages die zich onder de gedingstukken bevinden - niet weersproken en de gegeven toelichtingen komen de Raad voldoende overtuigend voor. Het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene is per de in geding zijnde datum op de juiste wijze vastgesteld op 0%.

De Raad stelt vast dat een deugdelijke toelichting met betrekking tot de passendheid van de functies ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet voorhanden was. Gelet hierop moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. In de omstandigheid dat de ontbrekende arbeidskundige onderbouwing met het rapport van 21 mei 2007 in hoger beroep alsnog is gegeven ziet de Raad aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

HS