Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
06-3995 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid oordeel belastbaarheid en de daaraan gekoppelde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3995 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 mei 2006, 05/1169 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Van de zijde van appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Verkoeijen, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 28 juni 2005, hierna: het bestreden besluit, waarbij ongegrond is verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2005 tot herziening van zijn naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 8 mei 2005 naar de klasse 15 tot 25%.

De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat de medische advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit zorgvuldig is te achten. Niet is kunnen blijken dat de verzekeringsartsen niet alle klachten van appellant bij hun beoordeling hebben betrokken. Evenmin is kunnen blijken dat de klachten van appellant zijn onderschat dan wel onjuist geïnterpreteerd. Al met al heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen.

Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting als ten grondslag gelegde functies. De rechtbank is van oordeel dat de passendheid van die functies door de arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige toereikend is toegelicht.

Ten slotte heeft de rechtbank ook afgewezen het namens appellant gedane beroep op het vertrouwensbeginsel. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat de arbeidsdeskundige hem tijdens het onderhoud op 24 februari 2005 - in de aangevallen uitspraak staat abusievelijk 28 februari - heeft meegedeeld dat er geen wijziging zou plaatsvinden in zijn uitkering. De rechtbank overweegt in dit verband dat, zo een dergelijke mededeling inderdaad is gedaan, deze heeft plaatsgevonden één week voor de mededeling aan appellant van herziening van zijn uitkering, welke eerst op 8 mei 2005 ingaat. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat appellant hierdoor niet zodanig in zijn belangen is geschaad dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft doen aanvoeren is in overwegende mate een herhaling van in eerdere stadia van de procedure aangevoerde grieven. Appellant houdt staande dat hij ernstiger beperkt is dan aangenomen door het Uwv. Hij lijdt nog steeds aan psychische klachten ten gevolge van een vroeger doorgemaakt trauma - appellant is slachtoffer geweest van een gewelddadige beroving - waardoor hij tevens lijdt aan vermoeidheidsklachten, hoofdpijn en maagpijn. Ten gevolge daarvan is hij niet in staat tot het vervullen van de geduide functies. In elk geval kan hij niet in een voltijdse omvang werken. Ook handhaaft appellant zijn grieven inzake door het Uwv gewekte verwachtingen met betrekking tot het behoud van zijn uitkering.

De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

Appellant is ook in hoger beroep niet erin geslaagd zijn eigen opvatting inzake de ernst van zijn - vooral psychische - beperkingen en de onderschatting daarvan door de verzekeringsartsen van het Uwv aan de hand van concrete medische gegevens te staven. Appellant was ten tijde hier van belang ook niet meer onder behandeling voor de psychische klachten die hij stelt als gevolg van de overval in 2000 nog steeds te ondervinden in de vorm van een post traumatische stressstoornis. Ook is niet kunnen blijken van een objectief-medische noodzaak voor een urenbeperking. De Raad heeft dan ook, bij gebreke van een toereikende objectief-medische onderbouwing daarvoor, in navolging van de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant in aanmerking genomen beperkingen. Hierin ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om, als namens appellant verzocht, hem door een onafhankelijke deskundige te doen onderzoeken.

Evenmin bestaat aanleiding om ervan uit te gaan dat appellant ten tijde hier van belang buiten staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de hem voorgehouden functies. De medische passendheid van die functies acht ook de Raad overtuigend gemotiveerd.

Tenslotte faalt ook het herhaalde beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, reeds omdat appellant geenszins aannemelijk heeft kunnen maken dat de arbeidsdeskundige tijdens het bewuste onderhoud op 24 februari 2005 daadwerkelijk ondubbelzinnige toezeggingen heeft gedaan inzake het behoud van zijn uitkering. Van de zijde van het Uwv is ter zitting aangegeven dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de arbeidsdeskundige zich in die zin tegenover appellant zou hebben uitgelaten. De Raad heeft geen reden om daarover anders te denken. Het rapport van de arbeidsdeskundige bevat daartoe ook geen enkele aanwijzing. De Raad sluit overigens niet uit dat hier sprake kan zijn van een misverstand bij appellant als gevolg van gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal, in welk verband de Raad erop wijst dat het bewuste eerste onderhoud op 24 februari 2005 heeft plaatsgevonden zonder aanwezigheid van een tolk, en de arbeidsdeskundige kennelijk een tweede onderhoud - op 7 maart 2005 - noodzakelijk heeft geacht in aanwezigheid van een tolk.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

MK