Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
06-3738 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening ingangsdatum eigen bijdrage ingevolge de AWBZ.

Wetsverwijzingen
Bijdragebesluit zorg
Bijdragebesluit zorg 1
Bijdragebesluit zorg 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3738 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2006, 05/828 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

de onderlinge waarborgmaatschappij Menzis Zorgverzekeraar U.A., gevestigd te Zwolle, als rechtsopvolgster van de onderlinge waarborgmaatschappij Geové zorgverzekeraar U.A. (hierna: Menzis)

Datum uitspraak: 30 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R. Rozema te Drachten hoger beroep ingesteld.

Menzis heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 19 december 2007, waar partijen -wat Menzis betreft met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1916, verblijft sinds 24 april 2001 in Het Hooge Heem te Grootegast, een instelling als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).

1.2. Bij besluit van 15 oktober 2001 heeft Menzis de eigen bijdrage van appellante als bedoeld in Bijdragebesluit zorg (hierna: het Besluit) met ingang van 24 april 2001 vastgesteld op € 373,56.

1.3. Bij besluit van 7 november 2001 heeft Menzis bepaald dat appellante een hogere eigen bijdrage verschuldigd is. De eigen bijdrage is verhoogd naar een bedrag van.

€ 375,71.

1.4. Bij besluit van 12 december 2002 heeft Menzis bepaald dat appellante met ingang van 1 januari 2003 een hogere eigen bijdrage verschuldigd is. De eigen bijdrage is verhoogd naar een bedrag van € 392,24.

1.5. Bij besluit van 9 april 2005 heeft Menzis bepaald dat appellante met ingang van 1 januari 2004 een hogere eigen bijdrage verschuldigd is. De eigen bijdrage is verhoogd naar een bedrag van € 410,67.

1.6. Bij besluit van 1 juli 2005 heeft Menzis het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 april 2005 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat Menzis wettelijk verplicht is om tot de vaststelling van de eigen bijdrage per 1 januari 2004 over te gaan en dat het pas op 9 april 2005 voldoen aan deze plicht deze op zichzelf niet doet vervallen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 juli 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante reeds wegens het feit dat Menzis wettelijk verplicht is de eigen bijdrage per 1 januari 2004 te verhogen rekening had moeten houden met een verhoging van de eigen bijdrage.

3. Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Kort samengevat is aangevoerd dat niet van appellante verwacht kan worden dat zij er rekening mee had dienen te houden dat de verhoging van de eigen bijdrage per 1 januari 2004 haar 15 maanden later nog zou worden opgelegd. Voorts is aangevoerd dat de eigen bijdrage van appellante tweemaal eerder is herzien, namelijk bij besluit van 7 november 2001 en bij besluit van

12 december 2002, zodat niet kan worden gezegd dat de hoogte van de eigen bijdrage jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld en appellante er derhalve van op de hoogte had kunnen zijn dat de eigen bijdrage per 1 januari 2004 zou worden verhoogd. Tevens is verzocht om vergoeding van het griffierecht en de door de gemachtigde van appellante gemaakte administratie-, telefoon-, reis- en verblijfkosten.

4. De Raad stelt allereerst vast dat appellante de hoogte van de eigen bijdrage, zoals door Menzis vastgesteld, niet heeft betwist en dat haar grieven uitsluitend betrekking hebben op de ingangsdatum van de herziening van de eigen bijdrage naar een bedrag van € 410,67. De Raad oordeelt daarover als volgt.

4.1.1. Ingevolge artikel 5 van het Besluit wordt de hoogte van de bijdrage jaarlijks opnieuw berekend voor de periode van de eerste dag van januari tot en met de eenendertigste dag van de daaropvolgende maand december.

4.1.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit wordt het bijdrageplichtig inkomen als volgt berekend:

a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting. (…)

4.1.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit geschiedt de jaarlijkse herziening, bedoeld in artikel 5 van het Besluit, met toepassing van artikel 6 van het Besluit, met dien verstande dat het bedrag dat ingevolge het eerste lid, onderdeel a, van artikel 6 van het Besluit is vastgesteld, slechts geïndexeerd wordt.

Ingevolge het tweede lid van artikel 7 van het Besluit geschiedt de indexering, bedoeld in het eerste lid, met toepassing van het indexpercentage.

4.1.4. Ingevolge artikel 1, onder h van het Besluit is het indexpercentage het percentage waarmee het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, op 1 juli van het jaar volgend op het peiljaar, is gewijzigd ten opzichte van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van die wet, op 1 juli van het peiljaar.

4.2. Bij besluit van 12 december 2002 is de eigen bijdrage van appellante met ingang van 1 januari 2003 vastgesteld op € 392,24. Er is geen zekerheid te verkrijgen over de vraag of in dit besluit is kennisgegeven van een begrenzing van die vaststelling in de tijd, omdat beide partijen niet meer beschikken over een exemplaar van dit besluit. De Raad acht het echter voldoende aannemelijk, dat daarin geen einddatum is gegeven, omdat ook in het (standaard)besluit van 9 april 2005 geen einddatum is opgenomen.

4.3. Hiervan uitgaande impliceert het na heroverweging gehandhaafde besluit van 9 april 2005 een herziening van de eigen bijdrage ten nadele van appellante met een terugwerkende kracht van vijftien maanden tot 1 januari 2004.

4.4.1. Menzis stelt dat het voor appellante steeds duidelijk is geweest dat verhoging van de eigen bijdrage per 1 januari 2004 was te verwachten, temeer nu zij reeds meerdere jaren een eigen bijdrage verschuldigd was en derhalve op de hoogte was van de systematiek.

4.4.2. Zoals onder 3 is weergegeven, betwist appellante dit.

4.4.3. Ingevolge artikel 5 van het Besluit, in samenhang bezien met artikel 7 van het Besluit, wordt de eigen bijdrage jaarlijks opnieuw berekend, c.q. herzien, waarbij sprake is van indexering. Niet uitgesloten is dat het resultaat van deze berekening 0 bedraagt. Appellante is in april 2001 opgenomen. Per 1 januari 2002 heeft voor zover thans nog kan worden vastgesteld geen, en per 1 januari 2003 heeft wel een wijziging van de eigen bijdrage plaatsgevonden. Deze wijziging is haar toen, voor de ingangsdatum ervan, bij besluit van 12 december 2002, meegedeeld. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat appellante in april 2005, na de datum waarop de eigen bijdrage wederom opnieuw berekend had moeten worden voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005, nog rekening had moeten houden met een wijziging van de eigen bijdrage met ingang van 1 januari 2004. Onder deze omstandigheden moet de herziening van de eigen bijdrage ten nadele van appellante met een terugwerkende kracht van vijftien maanden tot 1 januari 2004 in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid worden geacht.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet aanleiding om Menzis met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te veroordelen in de kosten van appellante, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 11,04, ter zake van de door de gemachtigde van appellante gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep. De overige kosten ten aanzien van administratie en telefoon zijn geen kosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Met betrekking tot de verblijfkosten is de Raad van oordeel dat deze kosten niet aannemelijk zijn gemaakt.

6. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding wijst de Raad af, nu het verzoek ziet op proceskosten - namelijk de namens appellante gemaakte administratie-, telefoon- en verblijfkosten - die niet op basis van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 juli 2005;

Bepaalt dat Menzis een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt Menzis in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 11,04;

Bepaalt dat Menzis aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

(get.) R.M. van Male.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

AR