Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
06-3090 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Correctie premieloon in verband met niet ingehouden loonheffing op reiskostenvergoeding woonwerk.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 80
V-N 2008/18.22 met annotatie van Redactie
USZ 2008/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3090 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 april 2006, 05-2365 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 14 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante hebben mr. R.E. van Steenwijk en drs. W. van den Berg, werkzaam bij Deloitte Belastingadviseurs B.V. te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2007. Voor appellante zijn verschenen mr. van Steenwijk en drs. van den Berg, voornoemd, en A.J. Singels, director business support. Daartoe ambtshalve opgeroepen heeft het Uwv zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Appellante exploiteert horecagelegenheden op de luchthaven Schiphol. De medewerkers van appellante beschikken over een door Schiphol N.V. afgegeven pas, die toegang geeft tot de terminal van de luchthaven. Voor de afgifte van deze pas brengt Schiphol N.V. eenmalig een bedrag in rekening bij appellante. De pas kan worden voorzien van een autorisatie voor gebruikmaking door de medewerkers van appellante van de parkeerplaatsen P30 en P40. Deze aan de randen van de luchthaven gelegen parkeerterreinen zijn uitsluitend bestemd voor personen werkzaam op de luchthaven. Hiervoor brengt Schiphol N.V. maandelijks een bedrag in rekening bij appellante. Vanaf de parkeerplaatsen kan gebruik gemaakt worden van gratis vervoer, verzorgd door Schiphol N.V.

Het Uwv heeft appellante naar aanleiding van een in 2002 bij haar gehouden looncontrole, waarvan rapport is opgemaakt op 17 december 2002, correctienota’s doen toekomen over de jaren 1997 tot en met 2002. Deze nota’s zien onder meer op reiskosten woon-werkverkeer. Het looncontrolerapport vermeldt hierover het volgende:

“Reiskosten woonwerk worden door de werkgever vergoedt op basis van het fiscaal wettelijke toegestane reiskostenforfait. Voor het bepalen van de enkele reisafstand dient de werkgever rekening te houden met de afstand waarover de werknemer gebruik maakt van "vervoer vanwege de werkgever" in dit geval het kosteloze vervoer verzorgd door de Luchthaven Schiphol N.V. Aan de hand van een door de belastingdienst GO Haarlem opgesteld overzicht voor de woon-werk afstanden naar de Luchthaven Schiphol zijn de door de werkgever onbelast verstrekte reiskostenvergoeding woon-werk aan een nader onderzoek onderworpen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat indien de werknemer in het bezit is van een parkeerkaart, hetgeen volgens de werkgever in principe elke werknemer is die een vergoeding ontvangt voor eigen vervoer, de onbelaste reiskostenvergoeding woonwerk voor een aantal postcodes eveneens belast betaalbaar dient te worden gesteld. Deze postcodes vallen namelijk hierdoor binnen de 10 kilometer van het woonadres, omdat er door de desbetreffende werknemers gebruik wordt gemaakt van de parkeerterreinen P 30 en P 40, alwaar zij gratis gebruik kunnen maken van het Openbaar Vervoer Schiphol.

Uit de loonadministratie over de gecontroleerde jaren van de werkgever is gebleken dat men dit niet heeft onderkend, waardoor een groot aantal werknemers ten onrechte een onbelaste reiskostenvergoeding woonwerk hebben ontvangen.

De ten onrechte betaalbaar gestelde onbelaste reiskostenvergoeding woonwerk dient alsnog tot het loon te worden gerekend.”

Aan de hand van door appellante aangeleverde overzichten zijn de premielonen over de jaren 1997 tot en met 2001 op dit punt gecorrigeerd. Voor 2002 is het premieloon gecorrigeerd in verband met niet ingehouden loonheffing. Het rapport vermeldt dat appellante de verschuldigde loonheffing niet op haar werknemers zal verhalen.

Het Uwv heeft appellante tevens boetenota’s, gedateerd 9 mei 2003, over de jaren 1998 tot en met 2001 doen toekomen.

Bij besluit van 14 april 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellate tegen de correctie- en boetenota’s gedeeltelijk gegrond verklaard. De correctienota’s, voorzover betrekking hebbende op de reiskosten woon-werkverkeer heeft het Uwv in stand gelaten. De opgelegde boetes met betrekking tot deze kosten heeft het Uwv voor de jaren 1998 en 1999 niet gehandhaafd en voor de jaren 2000 en 2001 gematigd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer de boetenota’s vernietigd en de opgelegd boetes op nihil gesteld. Met betrekking tot de correcties verband houdend met de reiskosten woon-werkverkeer heeft zij in haar uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder, het volgende de overwogen:

“2.6 In artikel 1, aanhef en onder b, Regeling vergoeding kosten woon-werkverkeer (hierna: Regeling) (Stcrt. 1990, 140) wordt het begrip reisafstand gedefinieerd als de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de arbeidsplaats gemeten langs de meest gebruikelijke weg met dien verstande dat tot de reisafstand niet wordt gerekend de afstand waarover vervoer vanwege de werkgever plaatsvindt. De begripsomschrijvingen neergelegd in later hiervoor in de plaats gekomen Regelingen vergoeding kosten woon-werkverkeer hebben dezelfde inhoud en strekking. In de Regelingen die vanaf 2001 in werking zijn getreden is het eerste lid aangevuld met een omschrijving van het begrip vervoer vanwege de werkgever. Ingevolge de Regeling dient hieronder te worden verstaan:

- vanwege de werkgever georganiseerd vervoer met uitzondering van het woon-werkverkeer van de werknemer die als bestuurder met een niet door de werkgever ter beschikking gesteld voertuig een of meer collega's mede vervoert;

- het reizen per openbaar vervoer op basis van door de werkgever aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen.

In artikel 3 van de Regelingen zijn forfaitaire bedragen opgenomen waarvan de hoogte afhankelijk is gesteld van de reisafstand en waarvan wordt aangenomen dat deze strekken tot bestrijding van de kosten.

2.7 Niet in geschil tussen partijen is dat eiseres tot het wettelijk toegestane reiskostenforfait de reiskosten voor het woon-werkverkeer van haar werknemers vergoedt. Voor de berekening van de enkele reisafstand woon-werkverkeer - die groter dient te zijn dan 10 kilometer om belastingvrije uitkering van de reiskostenvergoeding mogelijk te maken - is eiseres uitgegaan van de afstand tussen de woning en de werkplek in de terminal van de luchthaven. Aan de werknemers die een reiskostenvergoeding ontvangen, wordt tevens een parkeerkaart dan wel parkeerautorisatie voor de parkeerterreinen P30 en P40 ter beschikking gesteld, en daaraan gekoppeld kosteloos vervoer op de luchthaven naar de werkplek in de terminal. Verweerder is van mening dat dit vervoer moet worden aangemerkt als vervoer vanwege de werkgever, en dat de afstand die op die manier wordt afgelegd niet tot de reisafstand wordt gerekend. Gelet hierop bedraagt de reisafstand

naar de parkeerterreinen voor een aantal werknemers volgens verweerder minder dan 10 kilometer en behoort de reiskostenvergoeding tot het loon.

2.8 Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag hoe de reisafstand in onderhavig geval dient te worden berekend.

2.9 Ter beantwoording van deze vraag zal de rechtbank eerst dienen te beoordelen of het gratis busvervoer (Sternet) tussen P30/P40 en het terminalgebouw van de luchthaven, dat wordt verzorgd door de Luchthaven Schiphol NV, moet worden aangemerkt als vervoer vanwege de werkgever in de zin van de Regeling. Hoewel het gratis vervoer feitelijk wordt georganiseerd door Luchthaven Schiphol, is in onderhavig geval wel degelijk sprake van vervoer vanwege de werkgever. Het gratis vervoer voor de werknemers vloeit immers direct voort uit hun hoedanigheid van werknemer van eiseres. Eiseres heeft er immers voor gekozen om aan de werknemers die een reiskostenvergoeding ontvangen, tevens een parkeerautorisatie voor P30 en P40 te verstrekken, in de wetenschap dat het aansluitende vervoer naar de werkplek met het gratis busvervoer zal plaatsvinden. Zoals eiseres ter zitting heeft verduidelijkt, vindt het gratis vervoer plaats op basis van het bezit van de Schipholpas. Nu de kosten van de Schipholpas bij eiseres in rekening worden gebracht en eiseres deze niet doorberekent aan haar werknemers, moet geconcludeerd worden dat het vervoer op basis van het bezit van de Schipholpas moet worden aangemerkt als vervoer vanwege de werkgever. Een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2003, waarin gratis vervoer per bus juist niet als vervoer vanwege de werkgever werd aangemerkt, kan niet slagen. Anders dan in geval van eiseres was in de bedoelde zaak sprake van een situatie waarin met aannemelijk was geworden dat het de bedoelding van de werkgever was geweest om aan de werknemer gratis vervoer voor het woon-werkverkeer te organiseren.

2.10 Vorenstaande betekent dat de reisafstand die met de gratis bus wordt afgelegd niet in aanmerking genomen kan worden bij de berekening van de enkele reisafstand woon-werkverkeer. De stelling van eiseres dat dit niet geldt voor de vele werknemers die met het openbaar vervoer of fiets naar het werk komen en derhalve geen gebruik maken van de parkeerfaciliteiten en het busvervoer, slaagt niet. Het is niet gebleken en evenmin aannemelijk geworden dat veel werknemers aan wie een reiskostenvergoeding is toegekend, met het openbaar vervoer naar hun werk reizen. Nu de bewijslast dat de door eiseres verstrekte vergoedingen niet tot het loon behoren op eiseres rust, had het op haar weg gelegen om met plaatsbewijzen voor het openbaar vervoer haar stelling te bewijzen. Van onzorgvuldig handelen van de zijde van verweerder door zelf geen onderzoek te verrichten naar de vraag welke werknemers doorgaans met het openbaar vervoer reizen is in deze dan ook geen sprake.

2.11 Gelet op het bestreden besluit heeft verweerder voor de berekening van de reisafstand gebruik gemaakt van een onderzoek dat is verricht door de belastingdienst terzake van de woon-werkafstanden naar de luchthaven Schiphol. Eiseres heeft de uitkomsten van de door verweerder gehanteerde methode aan de hand van de postcodevergelijking betwist en gesteld dat dient te worden uitgegaan van de meest gebruikelijke weg. Nu eiseres niet heeft gemotiveerd waarom de uitkomst van de gangbare postcodevergelijking niet de meest gebruikelijke weg zou zijn en wat dan wel de meest gebruikelijke weg is, mocht verweerder uitgaan van de uitkomsten van de gehanteerde methode.

2.12 Gelet op het vorenstaande is verweerder er bij zijn berekening van de premies terecht van uitgegaan dat de reisafstand van de werknemers minder dan 10 kilometer bedraagt.”

Appellante kan zich hiermee niet verenigen. Zij meent dat er geen sprake is van vervoer vanwege de werkgever. Zo vloeit het gebruik mogen maken van het gratis vervoer op Schiphol niet voort uit de hoedanigheid van werknemer van appellante of van een andere op de luchthaven gevestigd bedrijf. Een ieder die in het bezit is van een Schipholpas mag hiervan gebruik maken. Geen van de situaties als vermeld in de Regeling doet zich naar haar mening voor. Appellante heeft herhaald haar beroep op het door de rechtbank genoemde arrest van de Hoge Raad van 12 september 2003. Zij is geen partij bij het door de Luchthaven Schiphol en/of de gemeente Haarlemmermeer geregelde vervoer op de luchthaven. Enige afspraak daarover ontbreekt. Dat zij maandelijks een bedrag dient te betalen voor de parkeerautorisatie maakt dit niet anders. Uit de facturen die zij hiervoor ontvangt, blijkt niet dat hierin een bedrag is opgenomen voor het gratis vervoer.

Verder heeft appellante betoogd dat werknemers van haar met een parkeerautorisatie P30/P40 regelmatig gebruik maken van openbaar vervoer. Deze werknemers komen veelal slechts met eigen vervoer indien zij nachtdiensten hebben. Naar de mening van appellante had het Uwv moeten onderzoeken of de werknemers doorgaans op alle dagen met een auto naar het werk komen.

Tenslotte heeft appellante de correcties bestreden. Uit een door haar steekproefsgewijs gehouden onderzoek is gebleken dat van de 21 in het onderzoek betrokken werknemers er 10 geen bovenmatige vergoeding ontvangen.

Naar de mening van het Uwv heeft de rechtbank terecht gewezen op het feit dat appellante bij het verstrekken van een parkeerkaart in de wetenschap verkeerde dat in aansluitend gratis vervoer is voorzien. Immers, indien daarin niet zou zijn voorzien, zou het verstrekken van een parkeerkaart van geen betekenis zijn, gelet op de resterende afstand van de parkeerlocatie (ruim 3 kilometer) tot de werkplek.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tot 2001 kende de Regeling geen nadere omschrijving van vervoer vanwege de werkgever. Voor wat betreft 2001 is van belang of in het geval van appellante gesproken kan worden van “vanwege de werkgever georganiseerd vervoer”. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft hierover in een vergelijkbare zaak overwogen dat ook in situaties waarin de werkgever in voldoende mate bij het vervoer is betrokken gesproken kan worden van “vervoer vanwege de inhoudingsplichtige” (uitspraak van 8 februari 2006, LJN: AV1948). De Raad sluit zich hierbij aan. Hiervan uitgaande volgt de Raad de rechtbank in haar oordeel dat sprake is van vervoer vanwege de werkgever.

Van doorslaggevende betekenis acht de Raad het ter beschikking stellen van een parkeerautorisatie, waarvoor appellante maandelijks een bedrag dient te betalen, dat onlosmakelijk verbonden moet worden geacht met het gratis vervoer dat Schiphol N.V. biedt aan degenen die in het bezit zijn van een Schipholpas, over welke pas de werknemers van appellante dienen te beschikken. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat, gelet op de ligging van de parkeerterreinen P30 en P40, het verstrekken van een parkeerautorisatie zinledig is indien niet voorzien zou zijn in aansluitend vervoer. Dat het gratis vervoer niet apart bij appellante in rekening wordt gebracht, maakt dit niet anders. De Raad tekent hierbij aan dat het ervoor moet worden gehouden dat in de huurprijs die appellante dient te betalen voor de ruimten die zij op Schiphol gebruikt, de kosten die Schiphol N.V. maakt voor de door haar aangeboden faciliteiten, waaronder het gratis vervoer voor houders van Schipholpassen verdisconteerd zijn. Dat ook aan anderen dan werknemers van op Schiphol gevestigde bedrijven deze passen worden verstrekt, maakt het vorenstaande evenmin anders. Met betrekking tot het beroep van appellante op het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2003 (BNB 2004/41) heeft de rechtbank naar het oordeel van de raad met juistheid overwogen dat de situatie waarop dit arrest ziet, namelijk het gratis gebruik mogen maken van openbaar vervoer op basis van enkel een afspraak tussen een busmaatschappij en een regiopolitie, niet vergelijkbaar is met de situatie van appellante.

Met betrekking tot de stelling van appellante dat niet al haar werknemers met een parkeerautorisatie dagelijks hiervan gebruik maken en dat het Uwv dit nader had moeten onderzoeken, overweegt de Raad dat appellante met deze stelling miskent de op haar rustende bewijslast ter zake. Bij onkostenvergoedingen is het aan de werkgever om aan te tonen of en in hoeverre zijn werknemers daarop aanspraak kunnen maken.

Met betrekking tot de hoogte van de correcties volgt de Raad de rechtbank. Appellante is er niet in geslaagd aan te tonen dat, rekening houdend met de meest gebruikelijke weg, de correcties gedeeltelijk ten onrechte zijn opgelegd.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.

GG