Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
06-1285 wao
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Heroverweging op basis van het bezwaar van appellant. Geen sprake van reformatio in peius. Onzorgvuldige voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1285 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 februari 2006, 05/268 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2008. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Van Dijk, het Uwv door J.T. Wielinga.

II. BESCHOUWING

Appellant, op dat moment werkzaam als lasser, is op 5 oktober 1998 uitgevallen met rugklachten. Per einde wachttijd is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke sedert 30 maart 2002 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In het kader van een vijfdejaarsherbeoordeling heeft de verzekeringsarts E. du Maine op basis van dossieronderzoek en de informatie uit het door appellant op 4 mei 2004 ingevulde formulier “Herbeoordeling WAO/WAZ/Wajong” geconcludeerd dat de beperkingen zoals neergelegd in het formulier Functie Informatie Systeem (FIS) van 8 december 1999 ongewijzigd waren. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2004 bepaald dat appellants WAO-uitkering per 20 september 2004 ongewijzigd wordt voortgezet.

In zijn tegen het besluit van 8 september 2004 gemaakte bezwaar heeft appellant aangegeven dat sprake is van een nieuwe ziekte, namelijk astma, en zich afgevraagd of het Uwv deze wel heeft meegenomen in de beoordeling. Tevens heeft hij aangegeven dat hij op de persoonlijke vragenlijst was vergeten vraag 3.3. te beantwoorden, terwijl hij ook bij andere vragen iets heeft toegevoegd of veranderd.

Desgevraagd heeft appellant aangegeven zijn bezwaar niet mondeling te willen toelichten tijdens een hoorzitting.

De bezwaarverzekeringsarts T. Miedema heeft op basis van dossieronderzoek en van appellants huisarts ontvangen informatie geconcludeerd dat er geen redenen zijn te twijfelen aan de juistheid van de primaire medische beoordeling. Miedema heeft het FIS-formulier van 8 december 1999 vertaald naar een Functionele mogelijkhedenlijst van 13 december 2004. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.J. Boomgaard gerapporteerd. Boomgaard heeft, na te hebben geconcludeerd dat de in maart 2002 geduide functies niet meer actueel zijn, het zogeheten Claim Beoordelings- en Borgingssysteem geraadpleegd en telefonisch overleg gevoerd met appellant omtrent de door hem gevolgde opleiding. Boomgaard heeft geconcludeerd dat gelet op het maatmaninkomen enerzijds en het resterend verdienvermogen anderzijds de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vast te stellen op 22,21%, zodat indeling in de klasse 15 tot 25% aan de orde is.

Het Uwv heeft met een brief van 4 januari 2005 de door Boomgaard geselecteerde functies aan appellant voorgehouden, hem in kennis gesteld van het voornemen om zijn WAO-uitkering per een toekomende datum te herzien naar een mate van arbeids-ongeschiktheid van 15 tot 25% en hem in de gelegenheid gesteld hiertegen zijn bezwaren kenbaar te maken. Hiervan heeft appellant geen gebruik gemaakt.

Bij besluit van 24 januari 2005 heeft het Uwv vervolgens het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 september 2004 ongegrond verklaard en voorts de WAO-uitkering met ingang van 25 maart 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het tegen het besluit van 24 januari 2005 (hierna: bestreden besluit) door appellant ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak door de rechtbank ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat met het bestreden besluit in strijd is gehandeld met het verbod van reformatio in peius omdat hij door het instellen van het bezwaar slechter af is. Voorts heeft hij gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet dan wel onvoldoende is ingegaan op zijn bezwaren tegen de beslissing van 8 september 2004, welke bezwaren inhouden dat aan de betreffende beslissing geen dan wel onvoldoende medisch en arbeidskundig onderzoek vooraf is gegaan. Zeker nadat hij bezwaar had aangetekend en daarbij medische argumenten had aangevoerd, had hij mogen verwachten dat hij was onderzocht door de (bezwaar)verzekeringsarts, aldus appellant. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de aandoening aan zijn luchtwegen. Tenslotte heeft appellant herhaald dat hij niet kan voldoen aan de in de geduide functies gestelde opleidingseisen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een cijferlijst overgelegd van de door hem gevolgde ITO-opleiding.

De Raad stelt allereerst vast dat het beroep en het hoger beroep van appellant zich richten tegen zowel het oordeel van het Uwv over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 20 september 2004, als tegen de herziening van de uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% met ingang van 25 maart 2005.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit valt te zien als een heroverweging op basis van het bezwaar van appellant: dit bezwaar betrof immers de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 september 2004 en het bestreden besluit vermeldt uitdrukkelijk dat appellant met het besluit van 8 september 2004 niet tekort is gedaan omdat arbeidskundig onderzoek heeft uitgewezen dat de mate van zijn arbeidsongeschikt-heid moet worden vastgesteld op 15 tot 25%; echter om zorgvuldigheidsredenen wordt dit percentage en wordt derhalve de herziening van de uitkering eerst met ingang van een latere datum geëffectueerd. Om dezelfde reden - het gaat om een in de toekomst gelegen datum - is van een reformatio in peius geen sprake. Voorts kan niet worden gezegd dat de processuele belangen van appellant zijn geschonden, nu het Uwv appellant in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaren tegen de herziening per een latere datum kenbaar te maken. Dat appellant om hem moverende reden daarvan geen gebruik heeft gemaakt, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico hoort te komen.

De Raad ziet de grief van appellant aangaande de onzorgvuldige voorbereiding wel slagen.

Bij dit oordeel heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant noch door de verzekeringsarts noch door de bezwaarverzekeringsarts is uitgenodigd om op het spreekuur te verschijnen, terwijl daar naar het oordeel van de Raad wel aanleiding toe was. De Raad wijst er daarbij op dat appellant op het formulier “Herbeoordeling WAO/WAZ/WAJONG” weliswaar heeft ingevuld dat zijn klachten ongewijzigd zijn, maar tegelijkertijd in deel 2 van de vragenlijst bij de activiteiten tillen en dragen, duwen en trekken, buigen en werktempo onderhouden het hokje “Ik kan duidelijk minder” heeft aangekruist. Dit laatste had voor de verzekeringsarts aanleiding moeten zijn appellant op te roepen voor een onderzoek, temeer daar uit het formulier is op te maken dat appellant behalve aan (de bekende) rugklachten inmiddels leed aan astma. De verzekeringsarts heeft onder deze omstandigheden niet zonder spreekuurcontact tot het oordeel mogen komen dat geen sprake is van een verslechtering. Dit gebrek is in de bezwaarfase niet geheeld, nu ook de bezwaarverzekeringsarts - ondanks het feit dat appellant inmiddels het formulier Herbeoordeling WAO/WAZ/WAJONG in die zin had gewijzigd dat hij had aangegeven dat zijn klachten zijn toegenomen en dat sprake is van een nieuwe ziekte sinds de laatste beoordeling - appellant niet heeft opgeroepen voor het spreekuur en appellant evenmin heeft kunnen observeren tijdens de hoorzitting, om reden dat deze niet heeft plaatsgevonden. Het enkele inwinnen van inlichtingen bij appellants huisarts over de astma is in de gegeven omstandigheden onvoldoende.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit leidt er toe dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, moeten worden vernietigd.

Voor wat betreft de onzorgvuldige voorbereiding van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit merkt de Raad op dat weliswaar ten onrechte in de primaire fase geen arbeidsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, maar dat dit gebrek in de bezwaarfase is hersteld.

De overige grieven van appellant kunnen gelet op het bovenstaande buiten bespreking blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag in totaal groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MH