Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4925

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
06-6591 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een uitkering ineens (langdurigheidstoeslag 2003). Niet gebleken dat de echtgenote van appellant op de peildatum in een situatie verkeerde dat een concreet arbeidsmarktperspectief voor haar ontbrak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6591 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2006, 04/3093 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.M. Hagg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hagg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Op 8 oktober 2003 hebben appellant en zijn echtgenote, [naam echtgenote], bij het College een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend in de vorm van een uitkering ineens op grond van artikel 39, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en de door het College vastgestelde Beleidsregel langdurigheidstoeslag 2003 (hierna: Beleidsregel).

Bij besluit van 5 november 2003 heeft het College de aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2003 ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat niet is gebleken dat de echtgenote van appellant op de peildatum 31 december 2002 in een situatie verkeerde dat een concreet arbeidsmarktperspectief voor haar ontbrak.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 juni 2004 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat met de Beleidsregel invulling is gegeven aan de bevoegdheid tot zogeheten categoriale bijstandsverlening op grond van artikel 39, tweede lid, van de Abw. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel dienen samenwonende partners op 31 december 2002 (de zogeheten peildatum) beiden onder meer te voldoen aan het vereiste dat zij geen concreet arbeidsmarktperspectief hebben. Artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregel bepaalt - voor zover hier van belang - dat een concreet arbeidsmarktperpectief verondersteld wordt te ontbreken ten aanzien van degene die op 31 december 2002 uitkeringsgerechtigde was en tevens:

a. ouder was dan 57,5 jaar of

b. arbeidsgehandicapte was of

c. als alleenstaande ouder de zorg had voor een kind, jonger dan 5 jaar of

d. om redenen van medische of sociale aard een ontheffing had van arbeidsverplichtingen of

e. belanghebbende was bij een trajectplan, gericht op sociale activering of zorg of

f. noodzakelijke scholing volgde in combinatie met een administratieve indeling in de fasen 2, 3 of 4, als bedoeld in het Besluit Structuur Uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Partijen verschillen niet van mening over het feit dat appellant op de peildatum geen concreet arbeidsmarktperspectief had.

Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat [naam echtgenote] op 31 december 2002 voldeed aan het vereiste van het ontbreken van een concreet arbeidsmarktperspectief. [naam echtgenote] was op die datum geen uitkeringsgerechtigde en valt evenmin onder de termen van de in artikel 2, tweede lid, onder a tot en met f, van de Beleidsregel vermelde omstandigheden. Ook overigens ziet de Raad in de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat zij op de peildatum aan voormeld vereiste voldeed. Niet is gebleken dat [naam echtgenote] verhinderd was arbeid te aanvaarden vanwege de zorg voor haar gehandicapte zoon. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat voor die zoon van 9.00 uur ’s ochtends tot 15.00 uur ’s middags dagopvang was georganiseerd. Ook de leeftijd van [naam echtgenote], haar opleidingsniveau, werkervaring en moeizame beheersing van de Nederlandse taal staan naar het oordeel van de Raad het aanvaarden van arbeid niet per definitie in de weg.

Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat het College overeenkomstig de Beleidsregel heeft gehandeld door de afwijzing van de aanvraag van appellant te handhaven. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College gehouden zou zijn om desondanks ten aanzien van appellant en [naam echtgenote] af te wijken van het bepaalde in de Beleidsregel is naar het oordeel van de Raad niet gebleken.

Met betrekking tot de brief van appellant dat het College het besluit van 1 juni 2004 heeft genomen zonder dat hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, overweegt de Raad als volgt. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat het horen achterwege kon blijven, omdat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 november 2003 kennelijk ongegrond was. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake wanneer uit het bezwaarschrift aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, de door appellant ten tijde van de aanvraag verstrekte gegevens en het hier toepasselijke wettelijk kader is de Raad van oordeel dat het College het bezwaar terecht heeft gekwalificeerd als een kennelijk ongegrond bezwaar. Derhalve is voldaan aan de hier relevante voorwaarde voor toepassing van artikel 7:3 van de Awb. De Raad ziet dan ook geen grond aanwezig om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) M. Pijper.

AR