Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4830

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
05-6028 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Vaststelling maatmaninkomen. Herhaalde aanvraag. Geen nieuw feit of een veranderde omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6028 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 augustus 2005, 05/440 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Namens appellant is verschenen mr. Koot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant was van 1980 tot en met 30 november 1986 voor 40 uren per week werkzaam als financieel medewerker bij het Ministerie van Financiën. Met ingang van 1 december 1986 is hem wegens reorganisatie ontslag verleend. Aan appellant is van 1 december 1986 tot en met maart of april 1991 een wachtgelduitkering verleend op basis van een arbeidspatroon van 40 uren per week. Van 15 mei 1990 tot 20 juli 1995 was appellant werkzaam als administratief medewerker bij Koninklijke Horeca Nederland (KHN) voor 28 uren per week. Aansluitend is hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend op basis van een arbeidspatroon van 28 uren per week. Appellant heeft zich vanuit de uitkeringssituatie op grond van de WW per 15 mei 1997 arbeidsongeschikt gemeld vanwege psychische klachten. Door de verzekeringsarts is, mede op basis van informatie van de behandelend psychotherapeut Blom van 7 oktober 1997, als diagnose gesteld overige angststoornissen bij obsessief compulsieve persoonlijkheidstrekken. Bij besluit van 13 mei 1998 is aan appellant met ingang van 14 mei 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Aan dat besluit lag ten grondslag de vaststelling door de arbeidsdeskundige dat als maatman van appellant geldt de valide werkloze administratief medewerker voor 28 uren per week. Nadien zijn door het Uwv verschillende besluiten genomen met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanwege wijziging van de (vaststelling van de) resterende verdiencapaciteit en de inkomsten uit arbeid alsmede vanwege correcties in het dagloon en het maatmaninkomen. Laatstelijk is bij besluit op bezwaar van 29 maart 2004, voor zover hier van belang, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 14 mei 1998 ongewijzigd vastgesteld op 65 tot 80%.

Appellant heeft op 8 januari 2003 verzocht de omvang van zijn aantal maatmanuren te heroverwegen en te stellen op een arbeidspatroon van 40 uren per week aangezien hij reeds in 1986 om gezondheidsredenen niet meer in staat was werkzaamheden te verrichten in een volledig dienstverband.

Naar aanleiding van dit verzoek heeft een verzekeringsgeneeskundige van het Uwv op 20 maart 2003 kennis genomen van het schrijven van de behandelend psychotherapeut De Jong van 5 maart 2003. In dat schrijven is uiteengezet dat het leven van appellant van jongs af aan gekenmerkt is door een persoonlijkheidsstoornis van het obsessief-compulsieve type.

Bij besluit van 8 april 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat het verzoek om de WAO-uitkering te baseren op een 40-urige werkweek is afgewezen nu uit het ingestelde onderzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan hij als een ‘medische afzakker’ zou moeten worden beschouwd.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en aangevoerd dat de teruggang van het oorspronkelijk aantal uren van 40 per week naar 28 uren per week een medische oorzaak heeft. Hij heeft in dat verband gewezen op het rapport van de Stichting Instituut voor Multidisciplinaire Psychotherapie (IMP) van 25 juni 1979, opgemaakt op verzoek van de Gemeenschappelijke Medische Dienst in verband met een aanvraag om een voorziening. Verder heeft hij ter ondersteuning van zijn standpunt overgelegd een rapport van 20 september 2004 van de door hem ingeschakelde deskundige A.J.A. Vandecasteele, psychiater, en gewezen op diens conclusie: “Te rekenen vanaf maart 1986, althans mei 1990, is cliënt op medische gronden niet in staat geweest tot het verrichten van werkzaamheden als assistent boekhouder gedurende een 40-urige werkweek op grond van de psychische problemen voortkomend uit zijn angststoornis en persoonlijkheidsstoornis zoals hierboven beschreven waarvan de symptomen en de daaraan gekoppelde beperkingen manifest geworden zijn vanaf 1979 en geleidelijk zijn toegenomen waardoor het zeer aannemelijk is dat hij vanaf 1990 niet meer dan 28 uur voor die werkzaamheden belastbaar was.”

Bij besluit van 29 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft overwogen dat gelet op artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) terecht geweigerd is terug te komen van het besluit van 13 mei 1998, omdat geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. De naar voren gebrachte argumenten hadden reeds in de vorige bezwaar- of beroepsprocedures aangevoerd kunnen worden. Voorts moet de rapportage van de psychiater Vandecasteele worden begrepen als een nadere beschouwing van, dan wel een nadere weging van, reeds bekende feiten en omstandigheden van een andere arts. Verder is uit de stukken gebleken dat het de eigen keuze van appellant is geweest zich in 1986 beter te melden om zodoende in aanmerking te worden gebracht voor een wachtgelduitkering. Niet is gebleken dat appellant destijds niet in staat was zijn belangen te behartigen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het evenvermelde rapport van het IMP van 25 juni 1979 is aan te merken als een nieuw feit, nu dit rapport niet bekend was bij de behandeling van de WAO-aanvraag in 1998. Verder beschikte de verzekeringsarts in 1998 weliswaar over het rapport van de psychotherapeut Blom van 7 oktober 1997, maar dit rapport bevatte niet de diagnose die eerst in 2003 is gesteld en gesteld kon worden. In tegenstelling tot eerdere diagnoses is in 2003 door de psychotherapeut De Jong en nadien door de psychiater Vandecasteele geconstateerd dat er ook sprake is - en tijde van belang sprake was - van een persoonlijkheidsstoornis. Het gaat daarbij om een nieuw diagnostisch feit dat eerst achteraf gegeven kon worden door voortschrijdend inzicht. Ten slotte heeft appellant er op gewezen dat in het onderhavige geval sprake is van duuraanspraken en dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad een minder terughoudende toets dient te worden gehanteerd waar het gaat om de periode na het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit.

Het Uwv heeft in het verweerschrift uiteengezet dat hij zijn standpunt handhaaft.

De Raad overweegt als volgt.

Het verzoek van 8 januari 2003 tot heroverweging van de maatmanuren houdt ten gronde in dat appellant het niet eens is met de vaststelling van de maatman van administratief medewerker bij de KHN voor 28 uren per week, welke vaststelling ten grondslag ligt aan het eerdere besluit van 13 mei 1998 en dat appellant meent dat als maatman heeft te gelden de financieel medewerker bij het Ministerie van Financiën voor 40 uren per week, zoals hij die functie tot en met 30 november 1986 heeft vervuld. Naar het oordeel van de Raad strekt het verzoek van appellant er derhalve toe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 13 mei 1998 alsook van zijn nadien genomen besluiten terzake van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 14 mei 1998, laatstelijk bij besluit op bezwaar van 29 maart 2004, bij welke besluiten het Uwv eveneens is uitgegaan van de maatman van administratief medewerker bij de KHN voor 28 uren per week. Gelet hierop heeft het Uwv dan ook terecht het verzoek van appellant aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

Hetgeen door appellant naar voren is gebracht ter onderbouwing van zijn opvatting dat het Uwv dient terug te komen op zijn eerdere beslissing(en) kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv heeft er met recht op gewezen dat voor zover al moet worden aangenomen dat de verzekeringsarts bij de voorbereiding van het besluit van 13 mei 1998 niet reeds bekend was met het rapport van het IMP van 25 juni 1979, dit niet afdoet aan diens beoordeling, aangezien de verzekeringsarts ook al melding maakte van dwanggedachten en angsten en de diagnose obsessief-complusieve persoonlijkheidstrekken van de behandelaar overnam. De rapportage van de psychiater Vandecasteele van 20 september 2004, nader toegelicht met het schrijven van

16 augustus 2005, is weliswaar nieuw, maar kan op zichzelf genomen, zoals ook door de rechtbank onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad met juistheid is overwogen, niet worden beschouwd als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid in vorenomschreven zin. Een dergelijk rapport kan in beginsel, naar zijn inhoud beoordeeld, wel zodanige feiten en omstandigheden bevatten, maar dat is hier niet het geval. De door Vandecasteele gestelde diagnose is niet terug te voeren op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, maar moet uitsluitend worden begrepen als een nadere beschouwing en beoordeling door die psychiater van de reeds bekende feiten en omstandigheden.

Nu ook overigens niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, moet worden geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om met toepassing van het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met in feite te verwijzen naar het besluit van 13 mei 1998. De Raad begrijpt deze motivering in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de strekking van het verzoek van appellant als mede te betreffen de eerder vermelde latere besluitvorming met betrekking tot de aanspraak van appellant op een WAO-uitkering met ingang van 14 mei 1998. In hetgeen namens appellant is gesteld ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad tekent daarbij nog aan dat uit de beschikbare gegevens niet valt af te leiden dat gedurende de periode dat appellant werkzaam was bij het Ministerie van Financiën er sprake was van een situatie die het normale ziekteverzuim te boven ging. Verder blijkt niet anders dan dat appellant zich in 1986 om hem moverende redenen hersteld heeft gemeld. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant de gevolgen daarvan niet heeft kunnen overzien.

Ten aanzien van hetgeen appellant heeft opgemerkt omtrent ’s Raads jurisprudentie met betrekking tot duuraanspraken merkt de Raad allereerst op dat deze jurisprudentie is ontwikkeld in gevallen waarin sprake is van een (nog) bestaande rechtsbetrekking tussen betrokkene en het bestuursorgaan. Voorts beoogt deze jurisprudentie om voor de beoordeling van de aanspraken voor de toekomst een minder terughoudende toetsing mogelijk te maken ten aanzien van potentiële hogere aanspraken dan ten aanzien van het verleden. Deze rechtspraak is – in lijn met zijn uitspraak van 12 december 2003

(LJN AO0725 en USZ 2004/54) – niet onverkort van toepassing in gevallen als het onderhavige waarin de betrokkene in het genot is van een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% en verzocht heeft om heroverweging van de maatmanuren. Daarbij acht de Raad mede van belang dat de WAO enkele wettelijk geregelde mogelijkheden kent om na een intrekking of herziening van een uitkering een besluit te verkrijgen omtrent de door appellant kennelijk (ook) gewenste aanspraak op een hogere uitkering vanaf enig tijdstip na de datum van herziening.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit stand houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get. ) C.W.J. Schoor.

(get.) I. R.A. van Raaij.

HS