Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
07-519 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening Anw-uitkering i.v.m. het voeren van een gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/519 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 november 2006, 06/1732 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.L.A. Ruijs, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Voor appellante is verschenen mr. Ruijs. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.W. van der Ent, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellante is na het overlijden van haar echtgenoot met ingang van 1 april 1987 een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet toegekend die per 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

De Svb heeft op grond van een op 28 januari 2005 ingekomen brief aanleiding gezien om een onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van appellante.

In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn bij diverse instanties gegevens opgevraagd en is tot slot een huisbezoek afgelegd in de woning van appellante.

Van dat huisbezoek op 5 augustus 2005 is door sociaal rechercheurs van de Svb een rapport opgemaakt. Tijdens het huisbezoek is gesproken met appellante en met de in de woning tevens aanwezige [D.] (hierna te noemen: [D.]), die de vader is van de [in] 1990 geboren dochter van appellante, [T.J.L.A. v. D.], en die staat ingeschreven op het adres van zijn broer aan de [adres] te [woonplaats].

Op grond van de bevindingen van het onderzoek is door de Svb geconcludeerd dat appellante [D.] zowel op 1 juli 1996 als op 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerden. Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft de Svb het recht van appellante op een Anw-uitkering met toepassing van artikel 67, derde lid, van de Anw herzien en per 1 januari 1998 vastgesteld op een bedrag van 30 % van het bruto-minimumloon.

Bij besluit van 20 februari 2006 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 februari 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit de stukken blijkt dat in 1990 uit de relatie van appellante en [v. D.] een kind is geboren. Indien vaststaat dat appellante en [v. D.] ten tijde hier in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben levert dit op grond van artikel 3, derde lid (oud) en artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw (nieuw) het onweerlegbaar rechtsvermoeden op dat hier ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding.

Derhalve is de vraag aan de orde of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en [v. D.] op 1 juli 1996 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat daarvan ook nog sprake was op 31 december 1997.

Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.

Op grond van de beschikbare gegevens, zoals deze zijn neergelegd in het rapport van de sociaal rechercheurs moet worden geconcludeerd dat [D.] zowel op 1 juli 1996 als op 31 december 1997 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De Raad wijst daartoe naar de door appellante en [D.] tijdens het huisbezoek afgelegde verklaringen. Daarbij kent de Raad geen betekenis toe aan de verklaring van de broer van [D.] dat [D.] bij hem aan de [adres] te [woonplaats] een kamer huurt en daar zou wonen. Dit is door appellante onvoldoende onderbouwd en vindt geen steun in de door [D.] zelf afgelegde verklaring.

Met betrekking tot de door appellante en [v. D.] afgelegde verklaringen heeft appellante - ook - in hoger beroep aangevoerd dat hier niet van mag worden uitgegaan, omdat het rapport van de sociale recherche een groot aantal onjuistheden bevat en daarom geen juiste weergave is van hetgeen door hen is verklaard. Appellante verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van 7 september 2006 (LJN AZ1297). Appellante geeft in dit verband aan dat ook in haar geval de verklaringen niet zijn opgemaakt op ambtseed of ambtsbelofte, dat het rapport eerst zes dagen na het gesprek is opgesteld en dat de verklaringen niet zijn voorgelezen, niet ter lezing zijn aangeboden, niet ter ondertekening zijn voorgehouden en dat de inhoud ervan vanaf het moment van het maken van bezwaar is ontkend. Ten slotte voert appellante - subsidiair - aan dat zij de dag voorafgaande aan het huisbezoek een aantal zware behandelingen had ondergaan en dat zij om die reden het huisbezoek niet bewust heeft meegemaakt. Zij is van mening dat zij daarom niet gehouden kan worden aan hetgeen zij heeft verklaard.

De Raad overweegt hieromtrent dat de verklaringen van appellante en [v. D.] zijn afgelegd ten overstaan van twee ambtenaren in de uitoefening van hun functie van sociaal rechercheur. Het rapport waarin die verklaringen zijn opgenomen wordt derhalve geacht naar ambtseed of ambtsbelofte te zijn opgemaakt. Dat de verklaringen niet door appellante en [v. D.] zijn ondertekend en niet zijn voorgelezen, maakt op zichzelf niet dat die verklaringen voor onjuist moeten worden gehouden. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 21 februari 2006 (LJN AV8804). De verklaringen zijn voorts consistent en gedetailleerd. Verder blijkt uit de gedingstukken dat de verklaringen op de dag van het huisbezoek zijn vastgelegd in een verslag van het huisbezoek en dat een samenvatting hiervan is opgenomen in een rapport van op 11 augustus 2005. De Raad heeft vastgesteld dat die samenvatting overeenstemt met het - uitgebreide - verslag van 5 augustus 2005, zoals ook door appellante ter zitting is verklaard.

Dat appellante op 5 augustus 2005 niet in staat was tot het aflegen van een verklaring is de Raad niet gebleken. De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:

“De stelling van eiseres dat zij ten tijde van het huisbezoek vermoeid

en verward was als gevolg van de ondergane behandeling leidt niet

tot een ander oordeel. Uit de door eiseres ter zitting overgelegde

medische informatie kan naar het oordeel van de rechtbank niet

worden afgeleid dat eiseres ten tijde van het huisbezoek in dusda-

nige medische omstandigheden verkeerde dat zij om die reden een

onjuiste verklaring heeft afgelegd.”.

De Raad kan zich hiermee verenigen. Bovendien wijst de Raad erop dat het verslag van 5 augustus 2005 en het rapport van 11 augustus 2005 niet alleen de verklaring van appellante bevat, maar ook die van [v. D.] en dat die verklaringen met elkaar overeenkomen.

Bij het licht van het voorgaande ziet de Raad dan ook niet waarom appellante en [v. D.] niet aan de door hen afgelegde verklaringen kunnen worden gehouden. Ook hetgeen door appellante en door [v. D.] in het kader van de bezwaarprocedure tijdens de gehouden hoorzitting is verklaard, is in lijn met de inhoud van hun verklaringen van 5 augustus 2005.

De Raad overweegt voorts dat op grond van de ter beschikking staande stukken niet is gebleken dat vanaf het moment dat er sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding, de geboorte van hun gezamenlijk kind, er bij appellante dan wel bij [D.] sprake was van hulpbehoevendheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder j, van de Anw, c.q. dat appellante en [D.] om die reden een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren.

Appellante heeft in strijd met de ingevolge artikel 35 van de Anw op haar rustende inlichtingenplicht niet onverwijld aan de Svb meegedeeld dat [D.] bij haar is komen wonen. Dit heeft ertoe geleid dat aan appellante een te hoog bedrag aan uitkering is verleend zodat de Svb, behoudens dringende redenen om daarvan af te zien, het besluit tot toekenning van uitkering met toepassing van artikel 67, derde lid, van de Anw diende te herzien.

Van dringende reden op grond waarvan de Svb bevoegd zou zijn om van herziening af te zien is de Raad niet gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

GG