Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
06-1661 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering. Anders dan betrokkene, is de Raad van oordeel dat de conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige niet in tegenspraak zijn met het gegeven dat sprake is van CVS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1661 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

tegen de uitspraak van rechtbank Utrecht van 1 februari 2006, 03/265 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene].

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.J.B. de Wolff, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadien hun stellingen schriftelijk nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Namens het Uwv is A.M.M. Schalkwijk verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene, geboren [in] 1977, heeft op 17 november 2001 een aanvraag gedaan voor een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in verband met chronische vermoeidheidsklachten. Betrokkene is onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Tevens is een psychologisch onderzoek verricht. Het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat er ten aanzien van betrokkene een aantal beperkingen gold en heeft deze beperkingen vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Die beperkingen leidden er echter niet toe dat aan betrokkene een Wajong-uitkering kon worden toegekend. Bij besluit van 19 juli 2002 is derhalve die uitkering per 1 oktober 1999 geweigerd.

Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit van 24 december 2002 is dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft geconcludeerd dat er sprake is van chronische vermoeidheidsklachten, arbitrair sinds 1 juli 1993 en dat er op basis van die klachten beperkingen moeten worden geformuleerd ten aanzien van de fysieke belasting. Het Uwv zag geen aanleiding voor een urenbeperking. Betrokkene werd in staat geacht een aantal functies te vervullen waardoor er geen relevant inkomensverlies zou optreden. Het Uwv heeft betrokkene derhalve per 30 juni 1994 niet in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering.

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Naar aanleiding van dat beroep heeft de rechtbank de internist prof. dr. Abraham-Inpijn als deskundige benoemd en heeft haar verzocht om ten aanzien van betrokkene een onderzoek te verrichten en een verslag uit te brengen. In haar rapport van 4 juli 2004 heeft deze deskundige onder meer geconcludeerd dat zij zich kon verenigen met de door het Uwv vastgestelde beperkingen. Betrokkene heeft naar aanleiding van die rapportage een reactie ingebracht van de haar behandelend internist dr. Van Loon. Nadat beide internisten op elkaars stellingen hebben gereageerd heeft de rechtbank internist P.M. Elte als deskundige benoemd en verzocht om betrokkene te onderzoeken en verslag uit te brengen. Deze deskundige heeft op 26 augustus 2005 een rapport uitgebracht. Op de vraag van de rechtbank of deze deskundige zich kon verenigen met de beperkingen zoals die zijn aangegeven in de FML, heeft de deskundige geantwoord:

‘Het is duidelijk dat mevrouw [betrokkene] veel meer beperkingen opgeeft met betrekking tot de FML dan de verzekeringsdeskundige. Ik denk dan ook dat de verzekeringsdeskundige haar arbeidsmogelijkheden te hoog inschat en derhalve kan ik mij niet verenigen met de enkele beperkingen zoals die in de lijst zijn aangegeven.’

De rechtbank heeft op basis van de inbreng van dr. Van Loon en de rapportage van Elte geconcludeerd dat er wellicht sprake is van verdergaande beperkingen dan vastgelegd in de FML, om welke reden de rechtbank van oordeel was dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kon blijven. De rechtbank gaf het Uwv daarbij in overweging om een revalidatiearts in te schakelen teneinde een inschatting te maken van de beperkingen van eiseres op de datum in geding. De rechtbank heeft het beroep van appellante gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank het Uwv opgedragen om een nader besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Het Uwv heeft in hoger beroep – kort gezegd – gesteld dat de overweging van de rechtbank dat wellicht sprake is van verdergaande beperkingen onvoldoende is voor de conclusie dat het onderzoek bij betrokkene niet zorgvuldig was. Het Uwv wijst er daarbij op, onder verwijzing naar artikel 2, eerste lid, van de Wajong, dat een objectivering van de door betrokkene opgegeven klachten dient plaats te vinden. Het Uwv wijst er daarbij ook op dat als gevolg van het moment van de aanvraag om de Wajong-uitkering, retrospectief een beoordeling dient te geschieden van de medische situatie van vele jaren geleden. Dat slechts in retrospectief tot een beoordeling kan worden gekomen, kan volgens het Uwv niet – volledig – voor rekening en risico van het Uwv komen.

Betrokkene heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven en heeft, kort gezegd, gesteld dat het Uwv onvoldoende gemotiveerd tot zijn standpunt is gekomen. Betrokkene heeft tevens recente informatie ingebracht afkomstig van de haar behandelende revalidatiearts.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat betrokkene door ziekte of gebrek beperkingen ondervindt. Het feit dat die ziekte of dat gebrek in dit geval wordt benoemd als Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS), heeft in dit verband geen betekenis, nu partijen er niet over van mening verschillen dat er vanwege ziekte of gebrek voor appellante beperkingen moeten worden aangenomen. De vraag die partijen wel verdeeld houdt, is welke voor de Wajong relevante beperkingen er op de datum in geding uit die ziekte of dat gebrek voortvloeiden. Deskundige prof. dr. Abraham-Inpijn heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met de door het Uwv vastgestelde FML. Daarbij heeft dr. Abraham aangegeven dat er vanuit haar vakgebied, de interne geneeskunde, geen ziekte of gebrek is aangetoond. Anders dan betrokkene, is de Raad van oordeel dat de conclusies van

dr. Abraham niet in tegenspraak zijn met het gegeven dat bij appellante sprake is van CVS. Deze laatste benaming voor een scala aan verschijnselen kenmerkt zich immers door het ontbreken van een objectiveerbare lichamelijke of geestelijke oorzaak. Daarbij wijst de Raad er verder op dat dr. Abraham zich er van bewust is geweest dat appellante lichamelijke klachten heeft, waar dr. Abraham in een nadere reactie aan de rechtbank heeft aangegeven dat de klachten van appellante een verminderde belasting rechtvaardigen en dat de visie van de verzekeringsarts door dr. Abraham werd overgenomen omdat deze zeker geen schade toebracht aan betrokkene. Tevens wijst de Raad er daarbij op dat dr. Abraham vanuit de zorg voor de toestand van appellante op het moment van het onderzoek, in 2004, een neurologisch consult adviseerde.

De Raad is van oordeel dat het rapport van internist Elte op het hiervoor aangegeven punt, niet voldoet aan de eisen die daaraan, gelet op het kader waarbinnen Wajong-uitkeringen worden verstrekt, moeten worden gesteld. Zoals het Uwv met juistheid heeft gesteld, moet de arbeidsongeschiktheid ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wajong, immers het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebrek. In het onderhavige geval heeft Elte zijn – aarzelende – stelling dat hij denkt dat de arbeidsmogelijkheden van betrokkene te hoog zijn ingeschat, gebaseerd op het gegeven dat betrokkene veel meer beperkingen opgeeft dan de verzekeringsarts. Daar waar deze deskundige zich blijkens diens rapportage uitsluitend heeft gebaseerd op de beleving van betrokkene, is niet langer sprake van de vereiste objectivering in de hiervoor aangehaalde zin. De Raad kan dan ook aan de rapportage van Elte op dit onderdeel niet het gewicht toekennen dat de rechtbank daaraan heeft gegeven.

De Raad ziet evenmin aanleiding om de conclusies ten aanzien van de belastbaarheid van de door betrokkene ingeschakelde dr. Van Loon te volgen. Weliswaar heeft deze aangegeven dat hij betrokkene slechts in staat achtte om op het moment van zijn inbreng, december 2003, maximaal 20% arbeid te verrichten, maar daarbij heeft hij onvoldoende aangegeven om welke reden hij tot dat percentage – dat ziet op een situatie van ongeveer 9 jaar na de datum in geding – is gekomen, terwijl zijn conclusies aangaande de objectiveerbare feiten, door dr. Abraham gemotiveerd worden weersproken.

De Raad overweegt tenslotte dat de conclusies van het Uwv en dr. Abraham niet in tegenspraak zijn met het studie- en arbeidsverleden van betrokkene. Uit de stukken blijkt enerzijds weliswaar dat zij tijdens haar middelbare schooltijd gedurende een langere periode heeft verzuimd, maar anderzijds bleek betrokkene toch ook in staat om in een regelmatig patroon te studeren en behaalde zij achtereenvolgens haar MAVO-, HAVO- en VWO-diploma, waarbij zij VWO 5 en 6 in één jaar deed. Tevens heeft zij in het jaar 1999 bij de alarmcentrale van de ANWB te Lyon gewerkt, en is zij werkzaam geweest voor NAK te Emmeloord. Nadien is zij weer gaan studeren; ten tijde van het eerste onderzoek door het Uwv volgde zij de lerarenopleiding Frans. De Raad ziet in die gegevens dan ook geen aanleiding om te concluderen dat het Uwv de mogelijkheden van appellante heeft overschat.

De Raad komt dan ook tot het oordeel dat het onderzoek door het Uwv, mede gelet op de rapportage van prof. dr. Abraham-Inpijn, voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad ziet geen aanleiding voor de conclusie dat een nader onderzoek door een revalidatiearts is geboden, nog daargelaten of een dergelijk onderzoek in casu, gelet op de lange periode waarover zou moeten worden teruggezien, enige verheldering zou kunnen bieden. Ook de brief van de behandelend revalidatiearts van betrokkene vormt voor de Raad geen aanleiding daartoe, mede nu deze zelf aangeeft dat hij niet kan aangeven hoe de belastbaarheid was ten tijde van de aanvraag van de uitkering. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking en het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) S. Sweep.

HS