Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
05-5587 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening AAW/WAO-uitkering. Verhoging dagloon. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Betrokkene was destijds ermee bekend dat hij de emolumenten (zoals een pensionkostentoeslag en reiskostenvergoeding) van zijn werkgever ontving, en was ook bekend met zijn ontslag per 1 maart 1980.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5587 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 augustus 2005, 03/2007 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 11 oktober 2007 een vraag van de Raad beantwoord. Namens appellant is op deze brief gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008.

Appellant en zijn gemachtigde zijn – na voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

Naar aanleiding van een ziekmelding van appellant op 19 oktober 1976 is aan hem bij besluit van 23 november 1977 per 22 oktober 1977 een uitkering toegekend ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkeringen werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%, omdat de economische loonwaarde van de door appellant bij zijn werkgever verrichte arbeid op 50% werd gesteld. Per 1 maart 1980 werd appellant door zijn werkgever ontslagen. Met ingang van 1 maart 1993 is de AAW/WAO-uitkering van appellant vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Op 1 juli 2002 bereikte appellant de 65-jarige leeftijd.

Bij brief van 8 juni 2002 is namens appellant aan verweerder verzocht om de AAW/WAO-uitkering per 22 oktober 1977 te herzien. Daartoe werd aangevoerd, dat ten onrechte geen rekening was gehouden met op zijn minst de door appellant van zijn werkgever ontvangen pensionkostentoeslag en reiskostenvergoeding, met als gevolg dat het dagloon en het maatmanloon te laag waren vastgesteld en appellant minimaal één arbeidsongeschiktheidsklasse hoger had dienen te worden ingedeeld.

Bij besluit van 17 juli 2002 heeft het Uwv aan appellant bericht, dat zijn dagloon met ingang van 22 oktober 1977 wordt vastgesteld op € 52,58 en dat als gevolg daarvan zijn uitkering hoger wordt.

Bij besluit van 17 februari 2003 heeft het Uwv aan appellant bericht, dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid over de periode van 22 oktober 1977 tot 1 maart 1993 niet wordt gewijzigd.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 11 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard, zulks onder verwijzing naar het rapport van bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom van 12 juni 2003. Daarin heeft deze – kort weergegeven – verwoord, dat appellant tot diens ontslag niets tekort gekomen is doordat hij zijn volledige maatmanloon ontving (bestaande uit AAW/WAO-uitkering, loon voor aangepaste werkzaamheden en een aanvulling van de werkgever). Voor wat betreft de periode vanaf het ontslag tot 1 maart 1993 heeft deze arbeidsdeskundige gesteld, dat een nadere vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid evenmin aan de orde is, omdat appellant er kennelijk in heeft berust voor 45-55% arbeidsongeschikt te zijn en zich niet toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld.

Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – overwogen dat in hetgeen door appellant naar voren is gebracht het Uwv geen aanleiding behoefde te vinden om van het in rechte vast staande besluit van 23 november 1977 terug te komen. De rechtbank heeft het ontslag van appellant per 1 maart 1980 niet aangemerkt als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid, omdat dit argument reeds in een veel eerder stadium naar voren had kunnen worden gebracht, terwijl het voor appellant nooit aanleiding is geweest bij het Uwv op een herkeuring aan te dringen.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd – kort weergegeven – dat hij naar aanleiding van zijn ontslag in 1980 nader geschat had behoren te worden op passende arbeid, dat in 1977 zijn maatmanloon fout is vastgesteld en is uitgegaan van een verkeerde verdiencapaciteit, en dat appellant niets verweten kan worden, omdat hij niet wist dat het Uwv de dag- en maatmanlonen van de groep gastarbeiders, waartoe appellant behoort, steeds verkeerd vaststelde.

De Raad overweegt het volgende.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter onderbouwing van het verzoek om terug te komen op de eerdere beslissing is namens appellant in de kern aangevoerd, dat bij de beslissing van 23 november 1977 ten onrechte geen rekening is gehouden met enkele door appellant ontvangen emolumenten, waardoor het dagloon- en maatmanloon onjuist zijn vastgesteld, terwijl door (de rechtsvoorganger van) het Uwv voorts ten onrechte geen rekening is gehouden met het ontslag van appellant per 1 maart 1980. De Raad is van oordeel dat dit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden betreffen, aangezien appellant destijds ermee bekend was dat hij de emolumenten (zoals een pensionkostentoeslag en reiskostenvergoeding) van zijn werkgever ontving, en appellant eveneens bekend was met zijn ontslag per 1 maart 1980. Daarvan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De Raad voegt daaraan nog het volgende toe. Zo al gezegd zou moeten worden dat het besluit van het Uwv van 17 juli 2002 tot ophoging van het dagloon aangemerkt dient te worden als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, is de Raad van oordeel dat het Uwv daarin geen aanleiding had behoeven te vinden de in het besluit van

17 november 1977 vastgelegde mate van arbeidsongeschiktheid van appellant te herzien. Deze was immers (destijds) bepaald op basis van de door appellant in zijn restverdiencapaciteit bij zijn (toenmalige) werkgever gerealiseerde economische loonwaarde van 50%.

Zo al gezegd zou moeten worden dat (de rechtsvoorganger van) het Uwv naar aanleiding van het ontslag van appellant per 1 maart 1980 heeft verzuimd de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant nader te bepalen aan de hand van zijn restverdiencapaciteit met passende en in billijkheid op te dragen functies, brengt dit naar het oordeel van de Raad niet mee dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Mede gelet op de terughoudendheid in de beoordeling die in gevallen als de onderhavige is aangewezen, heeft de Raad daarbij laten meewegen, dat appellant kennelijk nooit eerder aanleiding heeft gezien om (de rechtsvoorganger van) het Uwv naar aanleiding van zijn ontslag om een herkeuring te verzoeken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) S. Sweep.

JL