Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
05-5957 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. CBBS. Nadere motivering in hoger beroep. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5957 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 september 2005, 05/1289 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend en nadere vragen aan het Uwv gesteld. Deze vragen heeft het Uwv bij brief van 23 oktober 2007 met bijlagen beantwoord. Nadat partijen toestemming hadden gegeven de nadere behandeling ter zitting achterwege te laten, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluit van 15 februari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit om appellant met ingang van 29 oktober 2002 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, niet gehandhaafd en appellant met ingang van die datum een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe, samengevat, overwogen geen reden te zien om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Daarbij is overwogen dat appellant zijn stelling dat hij ten tijde in geding ten gevolge van het dragen van een gipscorset beperkingen ondervond, niet met medische stukken heeft onderbouwd. Gelet op de rapporten van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige neemt de rechtbank voorts aan dat de belasting die de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies met zich meebrengen binnen de medische beperkingen van appellant blijft. Het Uwv heeft dan ook terecht en op goede gronden bij het bestreden besluit appellant met ingang van 29 oktober 2002 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% toegekend, aldus de rechtbank.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd stelt de Raad voorop dat aan het thans bestreden besluit niet het uitgangspunt ten grondslag ligt dat appellant op de hier relevante datum, 29 oktober 2002, geschikt was voor zijn eigen vroegere werk. Voorts heeft appellant ter zitting van de Raad verklaard dat het gipscorset is aangemeten na de datum hier in geding, namelijk op 27 november 2002. Deze verklaring vindt steun in een door appellant overgelegde schriftelijke verklaring van de behandelend neurochirurg van 14 november 2005. Met het gipscorset is dan ook terecht geen rekening gehouden bij de beoordeling van de beperkingen van appellant op 29 oktober 2002. Appellant heeft zijn stelling dat hij meer beperkingen had tot het verrichten van arbeid dan de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft aangenomen ook in hoger beroep niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad ziet geen grond het verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onzorgvuldig of onvolledig te houden. De verzekeringsarts heeft appellant zelf onderzocht en achtte de gepresenteerde rugklachten in overeenstemming met de objectieve onderzoeksbevindingen. Op basis daarvan is de belastbaarheid van appellant in de FML omschreven. De bezwaarverzekeringsarts was van oordeel dat de weergave van de beperkingen voldoende werd gedragen door de aanwezige medische objectiveerbare gegevens. In verband met de opmerkingen van appellant over een corset achtte de bezwaarverzekeringsarts het wenselijk inlichtingen op te vragen bij de behandelend neurochirurg, doch appellant gaf daarvoor geen toestemming. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts kennis genomen van een door appellant ingezonden brief van de behandelend neurochirurg van 28 juli 2004. Deze informatie gaf de bezwaarverzekeringsarts geen reden de FML bij te stellen omdat er geen nieuwe medische gezichtspunten werden aangedragen die van belang waren voor de belastbaarheid op 29 oktober 2002. Het bestreden besluit berust dan ook op een deugdelijke medische grondslag.

Aan de schatting liggen uiteindelijk drie functies ten grondslag, namelijk acquisiteur (sbc-code 516180), telefonist (sbc-code 315120) en secretaresse/typist (sbc-code 315030). De Raad stelt vast dat de met deze functies verbonden belasting blijft binnen de grenzen van de belastbaarheid van appellant zoals omschreven in de FML. Bij rapport van 22 oktober 2007 heeft de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van deze functies nader toegelicht, toegespitst op het niet-matchende beoordelingspunt “afwisseling van houding”. Bezien in het licht van de in de uitspraken van de Raad van

9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende) neergelegde hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), is de Raad van oordeel dat in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot het CBBS leidt dit tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand kunnen worden gelaten.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond zal verklaren, met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

De Raad is niet gebleken van voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komende proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

JL