Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
06-1021 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CBBS. Nadere motivering in beroep. Verzoek om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1021 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 5 januari 2006, 05/370 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

appellant.

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 24 april 2007 de rapporten van de gecertificeerde registerarbeidsdeskundigen R. Ravesteijn van 21 maart 2007 en A.G.W.P. van Gorp van 31 maart 2007 overgelegd.

Hierop heeft betrokkene niet gereageerd.

Appellant heeft op 30 november 2007 een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008.

Namens appellant is verschenen E.H.J.A. Olthof. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft zich op 19 juni 2002 ziek gemeld met elleboogklachten voor haar werkzaamheden als interieurverzorgster voor 8 uur per week en cateringmedewerkster voor 12 uur per week. Naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft op 17 juli 2003 verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn blijkens het van dit onderzoek opgemaakte rapport beperkingen vastgesteld in de belastbaarheid van betrokkene, welke zijn neergelegd in de voor haar geldende Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 juli 2003. Vervolgens is bij het arbeidskundig onderzoek een aantal functies geselecteerd en vastgesteld dat geen sprake was van verlies aan verdienvermogen. Hierna nam appellant het besluit van 3 oktober 2003, waarbij aan betrokkene de gevraagde WAO-uitkering is geweigerd, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid in aansluiting op 17 juni 2003 – de dag waarop betrokkene 52 weken arbeidsongeschikt was geweest – minder dan 15% was.

In de bezwaarprocedure onderschreef de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans in een rapport van 11 februari 2004 de hiervoor genoemde FML, waarna appellant bij besluit van 13 februari 2004 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 oktober 2003 ongegrond verklaarde.

In beroep keerde betrokkene zich - onder verwijzing naar het aanvullend bezwaarschrift - tegen de medische grondslag van het besluit van 13 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) en voerde zij aan dat om die reden ook de geselecteerde functies medisch niet geschikt waren.

Naar aanleiding van het beroep heeft appellant bij het verweerschrift het commentaar van Offermans van 5 mei 2004 overgelegd waarin werd geconcludeerd dat er geen aanleiding was tot wijziging van de FML. Voorts diende appellant ter nadere onderbouwing van de onderhavige schatting op 17 november 2005 een rapport van de bezwaararbeids-deskundige A.A.J.M. Kamp van 28 september 2005 in. Volgens Kamp diende na weging van de belastende factoren in de geselecteerde functies een aantal daarvan te vervallen en kon de schatting uiteindelijk worden gebaseerd op de functies telefoniste, receptioniste (SBC-code 315120), productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) en assistente consultatieburo (SBC-code 372091). Volgens de brief van appellant van 17 november 2005 bleef de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene echter minder dan 15%.

De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens gaf de rechtbank beslissingen omtrent vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit, maar was van oordeel dat appellant niet in alle opzichten had voldaan aan de in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN AR4718) vastgestelde onvolkomenheden van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De kritiek van de rechtbank richtte zich op de aanpassing van dit systeem, voor zover dit de mogelijkheid bood dat de arbeidsdeskundige een als gevolg van die aanpassing door middel van een “M” zichtbaar gemaakte overschrijding van de belastbaarheid in een aantal gevallen kon veranderen in een “G”. Daarbij kon de arbeidsdeskundige alsdan zonder nadere motivering vaststellen dat de betreffende functie bleef binnen de mogelijkheden en beperkingen van de FML. Voorts stelde de rechtbank vast dat evenbedoeld kritiekpunt zich ook voordeed bij de onderhavige schatting en achtte zij de verwijzing naar de notities functiebelastingen (welke overigens desgevraagd door de Raad door appellant blijkens de brief van 30 november 2007 niet konden worden overgelegd) een volstrekt onvoldoende motivering ter onderbouwing van de passendheid van de functies op evenbedoeld aspect alsmede ten aanzien van een zogenoemd niet-matchend beoordelingspunt in de FML, dat in de geduide functies met een * zichtbaar wordt gemaakt. Vanwege dit motiveringsgebrek vernietigde de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zag zij geen aanleiding voor het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

In hoger beroep heeft appellant, die aangaf dat het hoger beroep uitsluitend was gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene, dit oordeel uitvoerig gemotiveerd bestreden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN AY9971) en onder verwijzing naar de in rubriek I van deze uitspraak vermelde arbeidskundige rapporten verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

De Raad stelt vast dat hij in zijn even vermelde uitspraak over het naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aangepaste CBBS een oordeel heeft gegeven dat vrijwel overeenkomt met het hiervoor weergegeven oordeel in de aangevallen uitspraak. In zoverre slaagt het hoger beroep derhalve niet.

Wat betreft het verzoek van appellant om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten overweegt de Raad dat in de meergenoemde arbeidskundige rapporten van 21 en (aanvullend) 31 maart 2007 juist ook met het oog op de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 een uitgebreide motivering is gegeven voor de aanvaardbaarheid van de signaleringen in de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Het is de Raad niet gebleken dat deze nadere motivering onvolledig of onjuist is.

Al het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij aan appellant een opdracht is gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Raad zal tevens bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij aan appellant de opdracht is gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

GdJ