Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
07-4013 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering. Bezwaar tegen kortingsbesluiten niet-ontvankelijk wegens overschrijding bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4013 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juni 2007, 06/6068 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft A.J.H.M. van Beijsterveldt, belastingadviseur te Bavel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde, A.J.H.M. van Beijsterveldt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 28 maart 2006 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar WAZ-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid gedurende de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 met toepassing van artikel 58 van de WAZ wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 10 mei 2006 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv appellante meegedeeld dat de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 ten bedrage van € 5.701,27 van haar wordt teruggevorderd.

Bij besluit van eveneens 10 mei 2006 (hierna: besluit 3) heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar WAZ-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid gedurende de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 niet wordt uitbetaald.

Bij besluit van 21 juni 2006 (hierna: besluit 4) heeft het Uwv appellante meegedeeld dat de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 ten bedrage van van € 11.473,44 van haar wordt teruggevorderd.

Bij brief van 5 juli 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft het Uwv het door appellante tegen besluit 2 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift van 5 juli 2006 niet tijdig is ingediend en er geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor zij niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift tegen besluit 2 in te dienen. Appellante heeft tegen het besluit van 8 augustus 2006 geen beroep ingesteld.

Bij brief van 17 oktober 2006 heeft appellante aangevoerd dat het bezwaarschrift van 5 juli 2006 tevens is gericht tegen de besluiten 1 en 3.

Bij besluit van 7 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellante tegen de besluiten 1 en 3 gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen besluit 4 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist.

De Raad staat voor de beoordeling van de vraag of de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten.

De Raad is van oordeel dat het bezwaarschrift van 5 juli 2006, gelet op vorm en inhoud, uitsluitend is gericht tegen het (terugvorderings)besluit 2 en geen betrekking heeft op de (kortings)besluiten 1 en 3. Daarbij wijst de Raad er op dat in het bezwaarschrift van 5 juli 2006 in de aanhef achter ‘Betreft’ wordt vermeld: ‘Bezwaar terugvordering uitkering’ en dat onder ‘Bezwaren en motivering’ slechts wordt geconcludeerd tot het ontbreken van een basis voor terugvordering van de verstrekte uitkering voor zowel het jaar 2003 als het jaar 2004. In hetgeen door appellante in beroep en hoger beroep terzake is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen.

De Raad is voorts van oordeel dat appellante eerst met de eerder vermelde brief van 17 oktober 2006, waarin zij gronden en argumenten heeft aangevoerd, die op te vatten zijn als te zijn gericht tegen de besluiten 1 en 3, bezwaar heeft gemaakt tegen deze besluiten. De Raad stelt vervolgens vast dat met het op 17 oktober 2006 ingediende bezwaarschrift tegen de besluiten 1 en 3 appellante de termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ruimschoots heeft overschreden.

Met betrekking tot de subsidiaire stelling van appellante dat zij de besluiten 1 en 3 niet heeft ontvangen, doch eerst daarvan kennis heeft genomen na toezending door het Uwv van de stukken van de bezwaarprocedure bij brief van 31 augustus 2006, overweegt de Raad dat, wat er zij van die stelling, vastgesteld moet worden dat ook in dat geval appellante met de indiening van het bezwaarschrift van 17 oktober 2006 de geldende bezwaartermijn heeft overschreden.

Omstandigheden op grond waarvan ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, zijn niet gesteld en de Raad ook niet gebleken.

Met betrekking tot het (terugvorderings)besluit 4 stelt de Raad vast dat appellante daartegen geen zelfstandige gronden heeft ingediend, maar slechts heeft aangevoerd dat deze niet in stand kan blijven indien ook het daaraan ten grondslag liggende kortingsbesluit niet wordt gehandhaafd.

Uit het voorgaande volgt dat bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen de (kortings)besluiten 1 en 3 terecht niet-ontvankelijk is verklaard en het bezwaar tegen het (terugvorderings)besluit 4 terecht ongegrond is verklaard.

Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I. R. A. van Raaij.

HS