Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4731

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
06-1180 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering wegens inkomsten. Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag. Op geld gewaardeerbare werkzaamheden of therapeutisch van aard?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1180 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2006, 05/1059 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J.P. Liefting, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Namens appellante is verschenen mr. Liefting voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontvangt sinds 1976 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, alsmede een uitkering krachtens de Toeslagenwet (TW).

Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellante zou samenwonen en werkzaamheden zou verrichten, is door een opsporingsfunctionaris in dienst van het Uwv een fraude-onderzoek verricht, waarvan verslag is gedaan in het rapport werknemersfraude van 5 juli 2002. Op grond van de bevindingen en conclusies, neergelegd in dit rapport, heeft het Uwv de volgende besluiten genomen:

- het besluit van 17 oktober 2002 (hierna: besluit 1), waarbij is beslist dat de aan appellante toegekende WAO-uitkering met toepassing van artikel 44 van die wet met ingang van 1 maart 1999 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse

65 tot 80%;

- het besluit van 22 oktober 2002 (hierna: besluit 2), waarbij de aan appellante toegekende uitkering krachtens de TW met ingang van 1 maart 1999 wordt ingetrokken;

- het besluit van 28 oktober 2002 (hierna: besluit 3), waarbij van appellante wordt teruggevorderd een bedrag van € 14.297,72 ter zake van hetgeen op grond van de WAO en de TW onverschuldigd aan appellante is uitbetaald over de periode 1 maart 1999 tot 1 november 2002.

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 16 november 2004 beroep ingesteld. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante erkend dat geen bezwaar was gemaakt tegen het besluit 2, zodat in beroep nog slechts de vraag voorlag of besluit 1 en besluit 3, voor zover dit besluit ziet op de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering, in rechte stand kunnen houden. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak deze vraag bevestigend beantwoord en het beroep tegen die besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft vervolgens hoger beroep ingesteld.

De Raad ziet aanleiding vooreerst met betrekking tot de omvang van het geding in hoger beroep het volgende te overwegen.

In het beroepschrift op nader aan te voeren gronden is onder 1. aangegeven dat appellante kennis heeft genomen van de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen het eerdere besluit van het Uwv van 17 oktober 2002 gegrond (lees: ongegrond) is verklaard. Aan het slot van dit beroepschrift op nader aan te voeren gronden staat vermeld dat appellante de Raad verzoekt de aangevallen uitspraak te vernietigen en de aangevoerde gronden tegen het besluit van 17 oktober 2002 alsnog gegrond te verklaren, met veroordeling van het Uwv in de kosten van de procedure (…). Gelet op de expliciete beperking in dit beroepschrift, voortvloeiende uit de verwijzingen naar het besluit van 17 oktober 2002, is de Raad van oordeel dat in hoger beroep nog slechts de vraag aan de orde is of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over besluit 1.

Appellante heeft zich in het schrijven waarbij de nadere gronden zijn aangevoerd gesteld op het standpunt dat er ten aanzien van haar sprake is van de aanwezigheid van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van terugvordering had dienen af te zien. Ter zitting van de Raad heeft appellante daarnaast aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellante gedurende de in geding zijnde periode op enig moment op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dat appellante om die reden moet worden geacht inkomsten uit arbeid te hebben genoten. Naar de opvatting van appellante heeft zij geen op geld waardeerbare werkzaamheden verricht, maar was zij slechts om therapeutische redenen aanwezig bij de marktkraam van haar partner.

Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat de door appellante aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot het aannemen van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien. Ter zitting heeft het Uwv nog aangegeven in de bevindingen en conclusies, neergelegd in het rapport werknemersfraude van 5 juli 2002, genoegzaam steun te vinden voor de opvatting dat appellante zeker wel werkzaamheden heeft verricht en dat het werkzaamheden betreft die op geld waardeerbaar zijn.

Naar het oordeel van de Raad kan het betoog in hoger beroep van appellante, dat ten aanzien van haar sprake is van de aanwezigheid van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering had moeten worden afgezien, geen doel treffen omdat aan dit aspect in het kader van de toetsing van het besluit van 17 oktober 2002 geen betekenis kan toekomen en dit aspect voor het overige buiten de hiervoor omschreven omvang van het geding in hoger beroep valt.

Voorts is de Raad met de rechtbank, waarbij hij zich tevens stelt achter de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat appellante in de in geding zijnde periode gemiddeld gedurende 21 uur per week werkzaamheden heeft verricht die op geld waardeerbaar zijn en dat appellante van die werkzaamheden geen mededeling heeft gedaan aan het Uwv.

Op grond van bovenstaande overwegingen moet worden beslist dat het hoger beroep van appellante geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

GdJ