Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
06-6104 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Recht op bijstand niet vast te stellen, aangezien sprake is van verschillende op naam van betrokkene staande bankrekeningen. Schending inlichtingen verplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6104 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2006, 05/2422 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.W. Newitt, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Newitt. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 1 december 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een melding dat appellant samenwoont met zijn ex-echtgenote, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn huisbezoeken afgelegd, zowel bij de ex-echtgenote van appellant als bij appellant en zijn door hen verklaringen afgelegd.

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 11 oktober 2004 ingetrokken op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote.

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het College het tegen het besluit van 27 oktober 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij overwogen dat voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding weliswaar onvoldoende gronden aanwezig zijn, maar dat bij het huisbezoek aan de woning van appellant afschriften van op naam van appellant staande, voor het College onbekende bankrekeningen zijn aangetroffen. Voorts is er sprake van eventueel vermogen in de vorm van een woning in Egypte. Het College is van oordeel dat door de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand vanaf 11 oktober 2004, de datum van het bij appellant afgelegde huisbezoek, niet is vast te stellen.

Appellant heeft tegen dit besluit beroep bij de rechtbank ingesteld. Hangende dit beroep heeft het College bij besluit van 19 januari 2006 het besluit van 24 maart 2005 ingetrokken en bij dit besluit overwogen dat het recht op bijstand vanaf 7 (lees: 11) oktober 2004 niet langer is vast te stellen op de grond dat sprake van verschillende op naam van appellant staande bankrekeningen die hij in strijd met artikel 17 van de WWB nooit aan het College heeft doorgegeven.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 24 maart 2005 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 19 januari 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover hierbij het beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de grief van appellant dat met het besluit van 19 januari 2006 sprake is van “reformatio in peius” overweegt de Raad met de rechtbank dat hiervan in dit geval niet is gebleken. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op de grondslag daarvan een heroverweging plaats van het bestreden, primaire besluit. De systematiek en uitgangspunten van de Awb brengen ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift mee dat een aangevochten besluit in volle omvang wordt heroverwogen. Ten gevolge daarvan kan blijken dat een besluit niet kan worden gehandhaafd, hetgeen er vervolgens toe kan leiden dat een besluit dat is gebaseerd op een andere grondslag daarvoor in de plaats wordt gesteld. Van een verslechtering van de positie van appellant als gevolg van het maken van bezwaar is, anders dan appellant heeft aangevoerd, geen sprake. De intrekking van de bijstand heeft ook in bezwaar betrekking op de periode vanaf 11 oktober 2004 en voorts heeft de nadere grondslag geen invloed op de hoogte van het terugvorderingsbedrag, zoals door het College in zijn verweerschrift is aangegeven.

Voorts overweegt de Raad het volgende.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant beschikte over vier bankrekeningen die hij niet aan het College had gemeld. Een van die rekeningen was een kredietrekening bij de [naam bank] bank met een saldo van € 35.000,-- waarop appellant maandelijks een bedrag van € 680,-- aflost. Aan dit krediet is ook een kredietkaart gekoppeld met een limiet van € 7.000,--. Het krediet is aangegaan op 6 juni 2001.

De rechtbank heeft ten aanzien van deze rekeningen - waarbij appellante als eiser en het College als verweerder is aangeduid - het volgende overwogen:

“Met betrekking tot de niet eerder aan verweerder bekende bankafschriften is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende duidelijk is geworden waar eiser het krediet, waar deze afschriften op zien, voor heeft gebruikt. Eiser heeft wisselende verklaringen gegeven. In zijn beroepsgronden heeft eiser aangevoerd dat hij pogingen heeft gedaan tot het opzetten van een eigen bedrijf, zonder dat hij hiervan bewijsstukken heeft overgelegd, terwijl hij op de hoorzitting van 5 januari 2006 heeft verklaard dat het krediet een niet zakelijk krediet zou betreffen. Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd dat eiser onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn bankrekeningen, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld .”.

De Raad kan zich hiermee geheel verenigen.

Appellant heeft in hoger beroep nog naar voren gebracht dat hij alleen een negatief vermogen bezit en dat als dit wèl bij het College bekend zou zijn geweest, dit slechts in uitzonderlijke gevallen zou leiden tot het niet honoreren van een bijstandsaanvraag. De schending van de inlichtingenplicht heeft in zijn geval niet geleid tot een ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand, zoals bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

De Raad overweegt dienaangaande allereerst dat de grondslag van de intrekking niet hierin bestaat dat door de schending van de inlichtingenplicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, maar dat als gevolg van deze schending het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. Het College heeft hierbij terecht erop gewezen dat appellant verschillende, tegenstrijdige verklaringen over het bestaan van de niet gemelde bankrekeningen heeft gegeven. Niet duidelijk is geworden hoe appellant in 2001 bij de [naam bank] bank een aanzienlijk krediet heeft kunnen krijgen, terwijl hij reeds vanaf december 1996 bijstand ontvangt. Voorts is onduidelijk gebleven op welke wijze appellant, met een bijstandsuitkering ter hoogte van de norm voor een alleenstaande, aan zijn verplichting tot aflossing met een bedrag van € 680,-- per maand kan voldoen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

GG