Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4607

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
06-3238 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding medische behandeling aangezien vanuit oogpunt van doelmatige zorgverlening niet aangewezen op een maagbandoperatie. Telefonische toezegging? Schending vertrouwensbeginsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3238 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27 april 2006, 05/1055 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

Onderlinge Waarborgmaatschappij Menzis Zorgverzekeraar U.A., als rechtsopvolger van Onderlinge Waarborgmaatschappij Geové Zorgverzekeraar U.A., gevestigd te Wageningen (hierna: Menzis)

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar moeder, [naam moeder] hoger beroep ingesteld.

Menzis heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar moeder. Menzis heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. de Boer, werkzaam bij Menzis.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 14 oktober 2004 heeft appellante verzocht om vergoeding van de kosten van plaatsing van een maagband in het Europe St. Michel Hospital te Brussel.

1.2. Menzis heeft die aanvraag bij besluit van 26 oktober 2004 afgewezen.

1.3. Het College voor zorgverzekeringen heeft bij brief van 11 juli 2005 aangegeven zich te kunnen verenigen met het voornemen van Menzis het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 oktober 2004 ongegrond te verklaren.

1.4. Menzis heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 oktober 2004 bij besluit van 14 juli 2005 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante vanuit een oogpunt van doelmatige zorgverlening niet aangewezen was op een maagbandoperatie. Met betrekking tot de stelling van appellante dat door een medewerker van Menzis telefonisch is toegezegd dat de behandeling vergoed zou worden indien appellante een verwijzing van de huisarts, een brief van de behandelend arts en de rekening zou opsturen (hetgeen appellante ook heeft gedaan), heeft Menzis zich op het standpunt gesteld dat geen schriftelijke bevestiging is gevraagd van eventuele toezeggingen en dat niet is vast komen te staan wat er precies is gezegd en dat, nu appellante zich niet meer kan herinneren met wie zij gesproken heeft, het beroep op het vertrouwensbeginsel moet falen.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 juli 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen, nu niet is komen vast te staan hoe het betreffende gesprek is verlopen. Met name is niet duidelijk hoe appellante haar vraagstelling heeft ingekleed en ook blijkt niet uit het procesdossier welke informatie van de kant van Menzis precies is verstrekt. De rechtbank heeft tevens het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel verworpen.

2.2. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad stelt vast dat appellante het standpunt van Menzis dat zij vanuit een oogpunt van doelmatige zorgverlening niet aangewezen was op een maagbandoperatie, niet heeft betwist. Tevens stelt de Raad vast dat appellante het oordeel van de rechtbank dat het door haar gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, niet heeft aangevochten.

3.2. Tussen partijen is slechts de vraag in geschil of Menzis op grond van het vertrouwensbeginsel gehouden is de kosten van de behandeling aan appellante te vergoeden.

3.2.1. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

3.2.2. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan hoe het betreffende telefoongesprek is verlopen, zodat niet is gebleken van toezeggingen als bedoeld in punt 3.2.1. op grond waarvan Menzis gehouden zou zijn de kosten van de behandeling te vergoeden.

3.3. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

3.4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.L. Rijnen.

IJ