Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
19-02-2008
Zaaknummer
06-1749 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Belastbaarheid. Ondeugdelijke arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06 /1749 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2006, 05/1254 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.O. Sohansingh, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Bij schrijven van 12 mei 2006 en 21 december 2007 (lees: 2006) heeft voormelde gemachtigde twee rapporten van H. Schotsberg, psycholoog, in het geding gebracht, alsmede bij schrijven van 10 mei 2007 een rapport van 2 februari 2007 van V.M. Artist, psychiater.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op voormelde rapporten gereageerd door middel van het inzenden van twee rapporten van W. Koek, bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2008. Aanwezig waren appellante in persoon en haar voornoemde gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als administratief medewerkster voor 40 uur per week alsmede daarnaast werkzaam als vertaalster voor gemiddeld 11,25 uur per week. Per 16 december 2003 is zij uitgevallen aanvankelijk met schouder- en hoofdpijnklachten, naderhand was sprake van Bell’s paralyse, psychische klachten en oorsuizen. Het Uwv heeft, na rapportering door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, bij besluit van 14 december 2004 geweigerd om appellante met ingang van dezelfde datum in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 15%. Het daartegen namens appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is met name aangevoerd dat haar medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat en te weinig rekening is gehouden met haar psychische klachten.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Het medisch onderzoek is, aldus de rechtbank, voldoende zorgvuldig geweest en de medische conclusies zijn adequaat gemotiveerd. Uit de in geding gebrachte rapporten van H. Schotsberg voornoemd vloeit niet voort, dat appellante meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat de door Schotsberg genoemde diagnose al bij het Uwv bekend was en dat appellante eerst in juni 2005 is doorverwezen naar een psychiater van het AMC. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onderschreven.

In hoger beroep zijn namens appellante voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald. Tevens is als aangegeven een rapport van V.M. Artist voornoemd in geding gebracht.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad acht, evenals de rechtbank, de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen hetgeen terzake door de rechtbank is overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe.

Uit de ingezonden rapporten van de psycholoog Schotsberg en de psychiater Artist valt weliswaar af te leiden, dat appellante serieuze psychische klachten heeft, maar daarbij moet worden aangetekend dat door de verzekeringsartsen een aantal daarop toegesneden beperkingen in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst is opgenomen, waarmee bij het selecteren van de voor appellante geschikt geachte functies rekening is gehouden. Uit deze rapporten blijkt niet dat de psychische situatie van appellante zo ernstig is dat zij in het geheel niet zou kunnen werken. Ook voor het aannemen van een urenbeperking bestaat onvoldoende grondslag. Met betrekking tot de door appellante genoemde oorklachten moet worden opgemerkt, dat deze in het in het dossier aanwezige rapport van de KNO-arts D.J. Menger wel worden onderkend, maar dat daaruit tevens blijkt dat deze niet van heel ernstige aard zijn.

Van de zijde van appellante zijn geen specifieke arbeidskundige grieven naar voren gebracht; wel is ter zitting van de Raad door het Uwv eigener beweging erkend dat ten onrechte bij het hanteren van de maatman een maximering is toegepast en dat het bestreden besluit op dit punt gecorrigeerd dient te worden. De Raad wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007, LJN AZ 9652.

De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is derhalve onvoldoende deugdelijk, zodat dit besluit vernietigd dient te worden. Ook de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, wegens de haar verleende rechtsbijstand, te begroten op € 644,- in eerste aanleg en € 644,- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, ten bedrage van in totaal € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 37,- en € 105,-, in totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

HS