Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
19-02-2008
Zaaknummer
06-3817 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opleggen maatregel vanwege verwijtbare werkloosheid. Onvoldoende voldaan aan sollicitatieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3817 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2006, 05/4949 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2007. Appellant is verschenen met bijstand van mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Krijgsman, werkzaam bij het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is over een periode, eindigend op 20 maart 2005, een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 3 maart 2005 heeft hij een aanvraag om herleving van een WW-uitkering ingediend. Bij besluiten van 14 april 2005 heeft het Uwv zowel de WW-uitkering als de bovenwettelijke uitkering van appellant met ingang van 21 maart 2005 voortgezet. Naar aanleiding van het werkbriefje over de periode van 4 april 2005 tot en met 2 mei 2005, waaruit is gebleken dat appellant niet aan de sollicitatieplicht heeft voldaan, heeft het Uwv appellant bij brief van 19 mei 2005 erop gewezen dat hij ten minste gemiddeld één keer per week een concrete verifieerbare sollicitatieactiviteit dient te verrichten. Voorts is verzocht het bijgevoegde formulier “Sollicitatie-activiteiten” in te vullen. Appellant heeft op 22 mei 2005 opnieuw de eerder opgegeven drie sollicitaties ingevuld en daar een sollicitatie aan toegevoegd met 22 mei 2005 als datum. Op de vraag wat de redenen zijn geweest om niet tenminste gemiddeld één keer per week een sollicitatieactiviteit te verrichten heeft appellant geantwoord dat hij ervan was uitgegaan dat drie sollicitaties voldoende zouden zijn en dat er bovendien op dat moment niet zoveel vacatures waren.

2.2. Bij besluit van 26 mei 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 2 mei 2005 verlaagd met 20% gedurende 16 weken, omdat appellant in vorenbedoelde periode onvoldoende sollicitaties heeft verricht.

2.3 Appellant heeft tegen het besluit van 26 mei 2006 bezwaar gemaakt. Hij heeft aangegeven dat hij van de sollicitatieplicht op de hoogte was maar dat hij zich door het ontbreken van energie vanwege zijn ziekte nog niet voor de volle 100% kon inzetten.

De controlerend arts van het Uwv heeft hem destijds gezegd dat hij zich daarover niet al te druk hoefde te maken en dat het Uwv hiermee wel rekening zou houden. Op de hoor-zitting heeft appellant nog kenbaar gemaakt dat hij op 4 april 2005 nog een sollicitatie heeft verricht bij Sun Electric te Amsterdam.

2.4. Bij besluit van 28 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de sollicitatie-activiteiten van de maand april 2005 van appellant zijn geverifieerd bij de door appellant vermelde werkgevers en dat bij geen van allen een sollicitatie van appellant bekend was. Dit betekent dat appellant in de periode van 4 april 2005 tot en met 1 mei 2005 niet voldoende heeft gesolliciteerd. Van een afspraak met de controlerend arts of met andere artsen die appellant in de loop van de jaren in het kader van de ZW hebben behandeld over het “niet zo nauw nemen van de sollicitatieplicht” is het Uwv na onderzoek niet gebleken. Het beroep van appellant op een dringende reden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van het opleggen van een maatregel heeft het Uwv niet gehonoreerd, nu er geen sprake is van een financiële noodsituatie.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daarbij heeft hij dezelfde gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan.

5. De Raad overweegt, oordelend over de aangevallen uitspraak, als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Uit het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW, zoals dat sinds 1 augustus 2003 door het Uwv wordt toegepast (hierna: het Besluit), blijkt dat het Uwv bij de toepassing van voormeld artikel het beleid hanteert dat van een werkloze werknemer wordt verlangd dat hij in beginsel tenminste vier concrete sollicitatieactiviteiten per vier weken verricht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende steun bieden voor het oordeel dat appellant deze verplichting is nagekomen.

5.2. Met betrekking tot hetgeen appellant ter zitting nogmaals heeft aangevoerd over zijn gezondheidstoestand en met name over de beweerdelijke afspraak met de controlerend arts dat hij het “kalm aan” moest doen met solliciteren merkt de Raad op dat appellant hiervoor geen enkel tastbaar bewijs heeft overgelegd, zoals ook de rechtbank met juistheid heeft opgemerkt. Voorzover er sprake zou zijn van een dergelijke afspraak is het vervolgens nog de vraag wat de arts onder “ kalm aan doen” zou hebben verstaan. De sollicitatieverplichting, neergelegd in het besluit is al een minimum inspannings-verplichting die bezwaarlijk kan worden beschouwd als zeer belastend.

5.3. Nu appellant onvoldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht in de periode van

4 april 2005 tot en met 1 mei 2005 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv terecht een maatregel van 20% gedurende 16 weken op de WW-uitkering heeft toegepast. Daarbij is ook de Raad niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant verminderd verwijtbaar is te achten.

5.4. Ingeval van dringende redenen kan het Uwv afzien van het opleggen van een maat-regel, maar daarbij moet het gaan om redenen van financiële of sociale aard waardoor voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties optreden. Het moet gaan om inciden-tele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. De omstandigheid dat appellant alimentatieplichtig is en dat om die reden zijn financiële situatie nijpend zou zijn, is op zichzelf bezien geen financiële noodsituatie, terwijl er evenmin sprake is van iets bijzonders of uitzonderlijks. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat van dergelijke redenen niet is gebleken.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

HD

10.01