Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
06-5569 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overname betalingsverplichtingen werkgever. Besluit. Aanvang bezwaartermijn: is de specificatie tegelijk met de brief toegezonden?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5569 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2006, 06/10 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellante was als medewerker bediening werkzaam bij [werkgever] (hierna: de werkgever). In verband met het faillissement van de werkgever heeft appellante het Uwv bij brief van 23 mei 2005 verzocht om overneming van de loonbetalingsverplichting. Bij besluit van 27 mei 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat een faillissementsuitkering kan worden aangevraagd zodra het faillissement van de werkgever is uitgesproken. Bij besluit op bezwaar van 12 september 2005 heeft het Uwv het besluit van 27 mei 2005 in verband met een ondeugdelijke motivering herroepen en aangekondigd dat een nieuwe beslissing op de aanvraag van 23 mei 2005 zal worden genomen.

3. Op 6 oktober 2005 heeft het Uwv schriftelijk aan appellante meegedeeld welke bedragen voor overneming in aanmerking komen.

4. Het daartegen gemaakte bezwaar van appellante van 16 december 2005 is bij besluit van 28 december 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante niet tijdig, binnen zes weken, bezwaar heeft gemaakt. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor appellante niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, ervan uitgaande dat de brief van 6 oktober 2005 besluitkarakter toekomt, overwogen dat gesteld noch gebleken is dat het besluit van 6 oktober 2005 niet is verzonden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit besluit op die datum via toezending op de voorgeschreven wijze aan appellante is bekendgemaakt. De bezwaartermijn liep dan ook van 7 oktober 2005 tot en met 18 november 2005, zodat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De stelling van appellante dat zij niet had kunnen weten dat het om een besluit ging, volgt de rechtbank niet. Appellante heeft in haar beroepschrift zelf vermeld dat zij op een besluit zat te wachten, zodat zij had kunnen en moeten beseffen dat haar een uitkering was toegekend. Bovendien vermeldt het besluit de bezwaartermijn van zes weken, zodat er voldoende mogelijkheid voor appellante was om tijdig tegen het besluit op te komen. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat appellante verder geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat zij niet in verzuim is geweest.

6. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de brief van 6 oktober 2005 slechts een standaardbrief is waarin niets is vermeld over haar individuele recht op een faillissementsuitkering en bovendien slechts een specificatie wordt aangekondigd. Die specificatie heeft appellante eerst later ontvangen. Appellante heeft voorts gesteld dat zij uiterst gespitst was op een besluit van het Uwv, zodat het vreemd is dat haar nu wordt tegengeworpen dat zij een standaardbrief en een nagezonden specificatie niet als een beslissing heeft herkend.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van 6:8 van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de vorengeschreven wijze is bekendgemaakt.

7.2. Tussen partijen is ook in hoger beroep in geschil of de brief van 6 oktober 2005 besluitkarakter toekomt. Gezien de bewoordingen daarvan hangt dit ervan af of bij die brief een specificatie was gevoegd waaruit blijkt welke posten het Uwv wel en dus ook welke het niet of niet geheel heeft overgenomen. Het geschil tussen partijen spitst zich daarbij toe op de vraag of de aldus bij de brief van 6 oktober 2005 behorende specificatie met de bruto bedragen tegelijk met de brief van 6 oktober 2005 aan appellante is verzonden, waardoor de bezwaartermijn op 7 oktober 2005 is aangevangen. Appellante heeft gesteld dat de specificatie is nagezonden en dat de bezwaartermijn derhalve later dient aan te vangen. Het Uwv heeft daarover ter zitting van de Raad verklaard dat bij het besluit ter zake van de faillissementsuitkering altijd een specificatie is gevoegd met bruto bedragen. Een specificatie met netto bedragen wordt nagezonden, zoals ook is vermeld in het besluit van 6 oktober 2005. Het Uwv heeft gesteld dat de bezwaartermijn derhalve op 7 oktober 2005 is aangevangen.

7.3. De Raad acht voldoende vaststaan dat beide stukken die tezamen het besluit van 6 oktober 2005 vormen, te weten de brief van die datum en de specificatie met opgave van de overgenomen posten, op die datum aan appellante zijn verzonden. Appellantes ontkenning dat zij beide stukken tegelijkertijd heeft ontvangen acht de Raad niet geloofwaardig nu zij in haar bezwaarschrift van 16 december 2005 ageert tegen het ingaan van de uitkering op 3 mei 2005. Deze datum is alleen in de specificatie van de overgenomen posten vermeld en niet in de brief van 6 oktober 2005, zodat er vanuit moet worden gegaan dat appellante zowel de brief als de specificatie kort nadien tezamen heeft ontvangen. In het bezwaarschrift dat uitdrukkelijk is gericht tegen “de beschikking” van 6 oktober 2005 is voorts niet vermeld dat appellante deze specificatie pas op een later tijdstip heeft ontvangen en dat zij naar aanleiding daarvan bezwaar heeft gemaakt. Appellante heeft dit standpunt eerst later naar voren gebracht. Dit betekent dat het besluit van 6 oktober 2005 op de juiste wijze bekend is gemaakt, zodat de bezwaartermijn op 7 oktober 2005 is aangevangen. Het bezwaarschrift van 16 december 2005 is derhalve niet tijdig ingediend. Daarbij is de Raad niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou dienen te zijn.

7.4. Voorts heeft appellante ter zitting van de Raad als subsidiair standpunt naar voren gebracht dat haar brief van 29 november 2005 ook als een bezwaarschrift tegen het besluit van 6 oktober 2005 moet worden aanmerkt. Naar het oordeel van de Raad leidt de brief van 29 november 2005 er evenmin toe dat appellante alsnog ontvankelijk dient te worden verklaard in haar bezwaar nu ook deze brief buiten de bezwaartermijn is ingediend. Bovendien blijkt uit de inhoud van deze brief niet dat die is gericht tegen het besluit van 6 oktober 2005.

7.5. Dit betekent dat het Uwv appellante terecht niet ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar.

7.6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.

HD

13.01