Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4513

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
06-6297 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WW-uitkering met terugwerkende kracht: ten onrechte een loongerelateerde uitkering toegekend voor de duur van vier jaar in plaats van een kortdurende uitkering van een half jaar op basis van het minimumloon. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6297 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 28 september 2006, 06/558 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2007. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Toxopeus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers-Hooijmans, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant heeft van 10 februari 2003 tot en met 20 augustus 2003 via een uitzend-bureau als medewerker bloemenveiling gewerkt. Met ingang van 21 augustus 2003 is appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend. Op 8 augustus 2004 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd waarop hem bij besluit van 9 september 2004 met ingang van 19 augustus 2004 een loongerelateerde uitkering is toegekend.

2.2. Bij besluit van 6 december 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn WW-uitkering met ingang van 19 augustus 2004 is herzien. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is door het Uwv bij het bestreden besluit van 2 januari 2006 ongegrond verklaard. Het Uwv neemt het standpunt in dat vast is komen te staan dat ten onrechte een loongerelateerde uitkering is toegekend voor de duur van vier jaar in plaats van een kortdurende uitkering van een half jaar op basis van het minimumloon. Voorts stelt het Uwv zich op het standpunt dat deze onjuistheid appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn op het moment dat de uitkering hem werd toegekend. Volgens het Uwv is in dit verband van doorslaggevende betekenis dat appellant in een schrijven van 17 november 2005 om opheldering heeft gevraagd over de duur van de uitkering, dat appellant tijdens een telefonisch onderhoud op 2 december 2005 verklaarde dat het hem direct bij aanvang van de uitkering al vreemd voorkwam dat hij gelet op zijn relatief korte arbeidsverleden recht zou hebben op een relatief lange uitkering en dat appellant tijdens een telefonisch onderhoud op 28 december 2005 heeft aangegeven dat het voor hem duidelijk is dat hij vanaf 19 februari 2005 in aanmerking had moeten komen voor een bijstandsuitkering.

Van dringende redenen om van deze herziening af te zien is niet gebleken.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank het standpunt van het Uwv heeft onderschreven.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Appellant blijft zich primair op het standpunt stellen dat hem een loongerelateerde uitkering toekomt. Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat indien vast zou komen te staan dat hij geen recht zou hebben op een loongerelateerde uitkering het niet terecht is de herziening te doen plaatsvinden met terugwerkende kracht nu de fout bij het Uwv ligt.

5. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

5.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel, en op de gronden die de rechtbank heeft gehanteerd, dat appellant geen recht heeft op een loongerelateerde uitkering met ingang van 19 augustus 2004 en dat het Uwv op grond van artikel 22a van de WW verplicht is om tot herziening van de uitkering over te gaan. Met betrekking tot de vraag of die herziening op goede gronden met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden wijst de Raad op het bij de toepassing van artikel 22a van de WW door het Uwv gehanteerde beleid zoals dat is neergelegd in de “Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen”. In deze regeling is bepaald dat indien het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte uitkering werd verstrekt, de herziening of intrekking met terugwerkende kracht dient te geschieden. Op grond van dezelfde overwegingen als de rechtbank heeft gebezigd, die de Raad tot de zijne maakt, is ook de Raad van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk was dat hem vanaf de toekenning een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt.

5.2. Het beroep dat appellant nogmaals ter zitting heeft gedaan op het bestaan van dringende redenen als bedoeld in artikel 22a, tweede lid, van de WW om af te zien van herziening, kan ook naar het oordeel van de Raad niet slagen. Aan de parlementaire behandeling van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid ontleent de Raad dat de bedoelde dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die de herziening voor de belanghebbende heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. De Raad heeft in hetgeen appellant met betrekking tot zijn financiële positie ter zitting naar voren heeft gebracht geen bijzondere of uitzonderlijke situatie gezien. De omstandigheid dat door het Uwv een fout is gemaakt kan niet als dringende reden gelden. De conclusie moet dan ook zijn dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft aangenomen dat er geen dringende redenen waren die maken dat geheel of gedeeltelijk van de herziening dient te worden afgezien.

5.3. De conclusie uit het voorgaande is dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

HD

10.01