Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
07-1561 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een zogenaamde afvloeiingsregeling gedane uitkering ter zake van een pensioenregeling dient te worden aangemerkt als een loonvervangende uitkering en dient in mindering te worden gebracht op de WW-uitkering.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1561 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 februari 2007, 06/1353 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.R. Kamminga, advocaat te Oosterwolde, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kamminga, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant was werkzaam bij [werkgever] (hierna: [werkgever], of de werkgever). Op 1 juni 1993 is appellant vervroegd uitgetreden op basis van het ‘sociaal plan 1993/1995’. Over de periode van 1 juni 1993 tot 1 november 2000 heeft appellant een WW-uitkering ontvangen. De WW-uitkering werd betaalbaar gesteld aan de werkgever die de uitkering volgens de regels van het sociaal plan aanvulde. Het Uwv heeft in 2003 een onderzoek verricht naar de inkomsten van appellant. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport uitkeringsfraude van 28 november 2003. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat appellant vanaf 1 november 1995 tot en met

31 oktober 2000 een pensioen ontving van de Stichting Bedrijfspensioenfonds Koopvaardij, voortvloeiend uit een dienstverband voorafgaand aan het dienstverband met [werkgever], en met ingang van 22 november 1995 tevens een pensioen ontving van AEGON levensverzekeringen N.V.

3. Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van 1 november 1995 herzien in verband met de pensioeninkomsten van appellant. Het Uwv heeft bij besluit van 21 januari 2004 de gedeeltelijk ten onrechte betaalde WW-uitkering over de periode van 1 september 1996 tot en met 31 oktober 2000 ten bedrage van € 34.382,38 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 30 januari 2004 heeft het Uwv het besluit van 21 januari 2004 herzien omdat verzuimd is de vakantietoeslag bij de terugvordering te betrekken. Het terug te vorderen bedrag is vastgesteld op € 37.133,35.

4. Bij besluit van 29 oktober 2004 heeft het Uwv het bezwaar tegen de herziening van de WW-uitkering ongegrond verklaard. Bij besluit van gelijke datum heeft het Uwv het bezwaar tegen de terugvordering gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de hoogte van de terugvordering. Deze is nader vastgesteld op € 32.339,78.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de aan appellant in verband met een zogenaamde afvloeiingsregeling gedane uitkering ter zake van een pensioenregeling per 1 november 1995 dient te worden aangemerkt als een loonvervangende uitkering. Voorts is overwogen dat het Uwv op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW verplicht is om inkomsten wegens ouderdomspensioen geheel op de WW-uitkering in mindering te brengen. De rechtbank was van oordeel dat het door appellant gedane beroep op het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981, LJN AG4271 en NJ 1982, 503 (Boon/Van Loon) niet opgaat aangezien appellant en zijn ex-echtgenote niet voor een directe afrekening hebben gekozen, maar zijn overeengekomen dat een deel van het pensioen na ontvangst door appellant voor een deel wordt doorbetaald aan de ex-echtgenote.

De rechtbank heeft voorts in het midden gelaten of de stelling van appellant, dat hij zich bij het invullen van de werkbriefjes heeft laten leiden door informatie van de voormalige werkgever, volgens welke hij alle vragen op het werkbriefje met ‘nee’ moest beantwoor-den, juist is en of die informatie daadwerkelijk door de werkgever is gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank komt de wijze waarop appellant de werkbriefjes invulde geheel voor zijn rekening en risico, aangezien niet de werkgever maar het Uwv uitvoering geeft aan de WW. Het had dan ook op de weg van appellant gelegen om bij het Uwv te informeren naar de wijze waarop hij de werkbriefjes diende in te vullen.

6. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep van appellant op het arrest Boon/Van Loon niet opgaat, althans geen rekening heeft gehouden met de betaling door appellant van een deel van zijn ouderdomspensioen aan zijn ex-partner. De rechtbank is daardoor ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de inkomensvoorziening van de WW volledig moet terugtreden.

Voorts heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte overwogen dat het risico voor het invullen van de werkbriefjes voor rekening van appellant komt. Appellant beroept zich in dit verband op de instructie die hij heeft gehad van zijn werkgever. De werkgever was volgens appellant ook het aanspreekpunt omdat de WW direct werd overgemaakt aan de werkgever. De gedachte dat het Uwv als aanspreekpunt zou moeten gelden acht appellant dan ook onjuist.

7. De Raad overweegt, ter beoordeling of de rechtbank moet worden gevolgd, als volgt.

7.1. Artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dat het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering en ter zake van weigering van uitkering herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Artikel 25 van de WW bepaalt dat de werknemer verplicht is aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW worden inkomsten wegens ouderdomspensioen geheel op de uitkering in mindering gebracht.

7.2. De Raad stelt vast dat de pensioeninkomsten van appellant zijn aan te merken als ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW en dat deze inkomsten niet voortvloeien uit een dienstbetrekking die werd vervuld naast die waaruit de werkloosheid is ontstaan, maar voortvloeien uit een dienstbetrekking voorafgaande aan de dienstbetrekking bij [werkgever]. Dit brengt mee dat deze pensioeninkomsten op de WW-uitkering in mindering dienen te worden gebracht.

7.3. Uit de zich in het dossier bevindende werkbriefjes blijkt dat appellant bij de vraag of hij naast de WW-uitkering nog andere inkomsten ontving telkenmale ‘nee’ heeft ingevuld, terwijl appellant over de periode in geding wel pensioeninkomsten heeft ontvangen. Tegenover de opsporingsfunctionaris en tijdens de zitting van de Raad heeft appellant erkend dat hij zich er van bewust was dat hij de werkbriefjes niet naar waarheid invulde. De Raad stelt vast dat appellant door de werkbriefjes op deze wijze in te vullen en geen melding te maken van de pensioeninkomsten niet heeft voldaan aan zijn mededelingsverplichting als neergelegd in artikel 25 van de WW. Daardoor heeft appellant over de periode in geding een te hoog bedrag aan WW-uitkering ontvangen. Het Uwv heeft dan ook terecht de WW-uitkering met ingang van 1 november 1995 herzien.

7.4. Naar aanleiding van het standpunt van appellant dat hij is afgegaan op de mededeling van zijn werkgever dat hij de vragen op de werkbriefjes over het ontvangen van inkomsten met ‘nee’ moest beantwoorden overweegt de Raad dat hij hetgeen de rechtbank terzake heeft overwogen onderschrijft.

Voor zover appellant heeft willen betogen dat hij met zijn brieven ter zake van de dubbele ziekenfondspremie het Uwv reeds eerder in kennis heeft gesteld van de pensioeninkomsten, is de Raad van oordeel dat deze brieven geen mededeling inhouden over de pensioeninkomsten, zodat dit betoog er niet toe kan leiden dat de periode waarover de WW-uitkering is herzien dient te worden aangepast.

7.5. De Raad is voorts van oordeel dat het beroep van appellant op het arrest Boon/Van Loon niet kan slagen. Appellant heeft een persoonlijke aanspraak op de pensioen-inkomsten en die zijn ook feitelijk aan hem uitbetaald. Dat een deel van de pensioeninkomsten aan de ex-echtgenote overeenkomstig een verplichting van appellant jegens deze ex-echtgenote is doorbetaald, doet daaraan niet af. Het Uwv heeft dan ook terecht ook het deel van het pensioen dat is doorbetaald aan de ex-echtgenote van appellant op de WW-uitkering van appellant in mindering gebracht.

7.6. Dit betekent dat het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant met ingang van

1 november 1995 heeft herzien. De Raad is niet gebleken van dringende redenen om van herziening af te zien.

7.7. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.

HD

24.01